Hyperinsulinemie en overgewicht

DELEN

Nederlands onderzoek geeft aan dat bij ongeveer één miljoen Nederlanders jonger dan 60 jaar de hormonale stoornis hyperinsulinemie voorkomt. Dat is 25% van alle Nederlanders onder de 60 jaar!

Het lijkt erop dat ongeveer 25 – 35% van de Westerse bevolking in meer of mindere mate insuline-resistent is. Dat betekent dat er een stoornis is waardoor insuline niet meer in staat is om er voor te zorgen dat glucose vanuit de bloedbaan door de lever, de spieren en het perifere weefsel wordt opgenomen. De pancreas gaat daarom steeds meer insuline produceren. Dit veroorzaakt hyperinsulinemie en daardoor o.a. overgewicht. Hyperinsulinemie (of hyperinsulinaemia) wordt vaak geassocieerd met diabetes type 2 (hyperinsulinemie kan overgaan in diabetes type 2) of met mensen die insulineresistent zijn (insulineresistentie als oorzaak van hyperinsulinemie). Mensen met hyperinsulinemie lijken vaker last te hebben van eetbuien en voortdurend honger te hebben. Ze zouden een koolhydraatverslaving hebben en voortdurend teveel insuline in het bloed hebben. Dit zou de oorzaak zijn waarom ze constant honger hebben. Men kan vaak al aan het eetpatroon, de fysieke gesteldheid en de klachten zien dat er een koolhydraatverslaving is: men eet te veel koolhydraten, de patiënt is meestal te zwaar en klaagt over moeheid. Ze hebben veelal een onbevredigd gevoel na een maaltijd en eten vaak tussen de maaltijden door. Hierdoor houden zij de hele dag hun insulinespiegels te hoog. Vooral ’s avonds wordt er meestal non-stop gesnackt. Wanneer u na het gewone eten op zoek gaat naar koolhydraatrijke snacks, dan kunt u er zeker van zijn dat uw insulinespiegel te hoog is.

Stijging van insuline in het bloed is een van de meest gemiste diagnosen in de gezondheidszorg.

Wat is hyperinsulinemie?

Bij hyperinsulinemie is er sprake van ongevoeligheid van lichaamscellen voor het effect van insuline. Wanneer er een combinatie bestaat van te hoge bloeddruk, bloedvetten (cholesterol, triglyceriden), hyperinsulinemie en schildklierafwijkingen wordt dit ook wel het Metabool Syndroom van Raven genoemd. De klacht die het meest op de voorgrond staat bij hyperinsulinemie is overgewicht en met name een toename van de middelomvang. Wanneer de tailleomvang groter wordt is er grote kans dat er sprake is van hyperinsulinemie. Bij hyperinsulinemie is de insulinespiegel chronisch verhoogd terwijl het bloedsuikerniveau nog een normale waarde heeft. Insulineresistentie is de oorzaak van hyperinsulinemie. Uit recent Nederlands onderzoek is gebleken dat bij ongeveer één miljoen Nederlanders onder de 60 jaar de hormonale stoornis hyperinsulinemie voor komt. Dat is dus bij één op de vier Nederlanders onder de 60 jaar.

Wanneer is iemand insulineresistent?
Je kunt van iemand zowel de nuchtere glucose- als de nuchtere insulinewaarde laten bepalen. Hierdoor kan met behulp van de HOMA-IR berekening worden vastgesteld in welke mate de patiënt insulineresistent is. HOMA-IR = (nuchtere serum glucose) x (nuchtere serum insuline) / 22,5. Is deze waarde groter dan 2,71 dan betekent dat, dat er sprake is van insulineresistentie.

Maastrichts onderzoek

De SLIM-studie (Study on Lifestyle intervention and Impaired glucose tolerance Maastricht) keek gedurende zes jaar naar mensen met een verhoogd risico op type 2-diabetes. Ze kregen iedere drie maanden persoonlijk advies om gezonder te gaan eten en meer te bewegen. Mensen in de controlegroep kregen eenmaal per jaar algemene gezondheidsinformatie. Het doel was het verlagen van het risico op diabetes, gemeten als de twee-uurs-glucosewaarde na een orale glucosetolerantietest. Na zes jaar bleek dat verandering van leefstijl resulteerde in een langdurige verbetering van de glucosetolerantie en een 30% reductie van de diabetesincidentie. Kortom: leefstijlinterventie is effectief voor de preventie van type 2-diabetes.
Het is duidelijk dat de belangrijkste voorkomende oorzaak dat je lichaam niet op insuline reageert, de overmatige aanwezigheid van enkelvoudige koolhydraten in je eetpatroon is. Afhankelijk van de mate van insuline-resistentie, schieten de glucose- en insulinespiegels in het bloed omhoog, waardoor er via de lever een hoger percentage glucose wordt omgezet in vet, of, bij insulineresistentie van de lever, via een mechanisme waarbij de wanden van de slagader betrokken zijn. Overgewicht is natuurlijk het meest opvallende kenmerk, maar het kan ook voor heel nare andere problemen zorgen, zoals:

* Polycistic Ovarian Syndrome (PCOS);
* Verhoogd LDL, verlaagd HDL, verhoogde triglycerides, verhoogd Lp(a);
* Apnoe (‘s nachts voor korte tijd stoppen met ademen);
* Overgewicht door hyperinsulinemie, verhoogde vetopslag, verlaagde vetverbranding;
* Verhoogde bloeddruk;
* Hart en vaatziekten;
* Verlaging groeihormonen en DHEA.

Hoe bepaal je of je hyperinsulinemie hebt?

Dit kan op een aantal manieren. Een daarvan is de graanrestrictietest. Bij de graanrestrictietest, die twee weken in beslag neemt, is het de bedoeling dat u overdag (ontbijt, lunch en tussendoor) geen graanproducten en ook geen snel verteerbare koolhydraten eet. Voor het avondeten verandert er weinig. U eet ‘s avonds hetzelfde als wat u gewend was, alleen verdubbelt u de hoeveelheid groente en halveert u de hoeveelheid snel verteerbare koolhydraten zoals aardappelen, rijst, pasta etc. Bovendien slaat u een zoet dessert, dus ook fruit, over. De graanrestrictietest is bedacht om te kunnen onderzoeken of de insulinespiegel in uw bloed chronisch verhoogd is. Door deze aanpassing in uw voeding blijven de insulinespiegels overdag op een laag niveau. De hongergevoelens kunnen hierdoor minder worden of zelfs helemaal verdwijnen. Misschien valt u tijdens de testperiode af, dat is dan mooi meegenomen, maar het is niet het eerste doel van deze test. Wanneer u duidelijk merkt dat uw hongergevoel overdag afneemt heeft u hyperinsulinemie. Wanneer u tijdens het doen van de graanrestrictietest somber of depressief wordt stopt u met de test en gaat u weer eten wat u normaal gewend bent. U heeft dan waarschijnlijk ook een koolhydraatverslaving. (zie voor meer informatie het boek “SLIM” van Cora de Fluiter).

Glucose en kanker

Onderzoek naar de functie van glucose is steeds meer een onderdeel van Kankeronderzoek. De verguisde Montignac sluit aan bij een theorie over kanker die 80 jaar na dato eindelijk gehoor lijkt te vinden: de suikertheorie van Otto Warburg. Dr. Warburg (1883-1970), een voortreffelijke Duitse biochemicus die zich in het bijzonder bezighield met celademhaling, fotosynthese en kanker, observeerde dat gezonde cellen zuurstof gebruiken om glucose uit koolhydraten af te breken waarbij energie vrijkomt. Kankercellen daarentegen krijgen hun energie uit een proces dat hij fermentatie (gisting) noemde – tegenwoordig beter bekend als ‘glycolyse’ – waarbij glucose energie levert zonder dat daar zuurstof aan te pas komt. “De voornaamste oorzaak van kanker is de vervanging van zuurstofademhaling door fermentatie van suiker in normale lichaamscellen”, aldus Warburg in een lezing voor Nobelprijswinnaars in 1966, vier jaar voor zijn dood. Ondanks zijn Nobelprijs voor de Geneeskunde werd zijn suikertheorie grotendeels genegeerd. Maar daar kwam onlangs verandering in. Een onderzoek aan de Universiteit van Arizona wees uit dat radiologen de mate van glycolyse als maatstaf kunnen gebruiken om het ontwikkelingsstadium van een tumor te bepalen. Volgens de onderzoekers is een verhoogde afbraak van glucose een eigenschap die vrijwel alle vormen van kanker gemeen hebben. Een dieet zonder suiker en geraffineerde koolhydraten blijkt tumorgroei te vertragen of zelfs te stoppen. Oncologen over de hele wereld ontdekken de negatieve rol van hoge insulinepieken. Bovendien is van kankercellen bekend dat ze tienmaal zoveel insulinereceptoren hebben als gezonde cellen. Dit zou een verklaring zijn waarom insuline de groei en ontwikkeling van tumoren bevordert. Bij een onderzoek werd gekeken naar hyperinsulinemie en de relatie tussen bloedspiegels van C-peptide – een marker voor insulinesecretie door de alvleesklier – en het risico op borstkanker. Binnen het grootschalige EPIC cohort werden 1141 vrouwen onderzocht. De uitkomst hiervan was dat hyperinsulinemie bij oudere vrouwen na de overgang, het risico op borstkanker zou kunnen verhogen.

Essentiële nutriënten

Het belangrijkste in de behandeling moet natuurlijk gericht zijn op het veranderen van het eetpatroon en het aanvullen van de voeding met essentiële nutriënten. Welke nutriënten spelen een belangrijke rol?

1. Het spoorelement chroom is noodzakelijk voor een goed verloop van de stofwisseling van vetten en koolhydraten, met name de activiteit van insulinereceptoren. Er zijn vele wetenschappelijke publicaties beschikbaar waarin wordt aangegeven dat chroomsuppletie de gezondheidssituatie van diabetespatiënten aanmerkelijk kan verbeteren. Chroom kan de insulinereceptorkinase-activiteit op de celmembraan aanzienlijk doen stijgen, waardoor er minder insuline nodig is om glucose in de cel te transporteren. Chroomdeficiëntie leidt tot symptomen van glucose-intolerantie, aanhoudende verhoogde nuchtere insulinewaarden, verhoogde serumcholesterol en triglyceriden en sclerotische plaques in de aorta.
2. De pancreas bevat relatief hoge concentraties mangaan. Mangaan is tevens nodig voor de synthese van het schildklierhormoon.
3. Zink is een onderdeel van insulinemoleculen en is noodzakelijk voor de synthese en opslag van dit hormoon. Zink beschermt de bètacellen tegen beschadiging door vrije radicalen en auto-immuunprocessen. Bij hyperglycemie kunnen bepaalde eiwitten in het bloed en op de celmembranen overmatig geglycosyleerd worden, waardoor zogenaamde advanced glycosylated end products (AGE’s) ontstaan. Door dit proces kan de vrije radicalendruk aanzienlijk stijgen.
4. Selenium draagt bij aan het neutraliseren hiervan. Tevens vervult het een centrale rol in het metabolisme van de schildklierhormonen. Zink, chroom, mangaan en selenium spelen ook een grote rol in de omzetting van T4 in het actieve T3-hormoon en tevens in de opname van GLUT 4 in de perifere weefsels. Aanwezigheid van voldoende schildklierhormoon (T3) in de cellen van de pancreas en andere organen is essentieel voor een adequate synthese van insuline en de insulinereceptoren.

1. igitur-archive.library.uu.nl/dissertations/2007-0523…/sam.pdf

DELEN