DELEN

Q-Koorts.  “Q-koortsclaim: komt op voor mensen met Q-koorts”

Er zijn bijna driemaal zoveel mensen overleden aan de Q-koorts dan voorheen werd gedacht: geen 26 maar 74 dodelijke slachtoffers. Zo schrijft het Brabants Dagblad. 

Vraagtekenkoorts
Q-koorts is, zoals de richtlijnen van het ministerie aangeven, een infectieziekte die mensen kunnen krijgen van dieren, vooral van melkgeiten en melkschapen. Q-koorts kan niet van mens op mens worden overgedragen. Volgens het verhaal dat we moeten geloven was de oorzaak van de ziekte lang onbekend. Het is natuurlijk wel zo dat toen het voor het eerst werd ontdekt, in 1937 in Australië, het onbekend was, en daarom de naam ‘query fever’ (‘ vraagtekenkoorts’) kreeg. Het begon bij slachthuis personeel dat kampte met een ziekte met als voornaamste symptoom hoge koorts. In 1937 beschreef Edward Holbrook Derrick deze ziekte voor het eerst wetenschappelijk, waar het tevens als de Q-koorts is beschreven. Q-koorts wordt veroorzaakt door een bacterie met de naam Coxiella burnetii. Q-koorts is wereldwijd te vinden, met uitzondering van Nieuw-Zeeland. De ziekte heeft zich sinds 1955 op vijf continenten gevestigd, en is in ten minste vijftig landen waaronder Australië, de Verenigde Staten (Californië), Canada (Nova Scotia), Groot-Brittannië en Spanje te vinden. De landen in Noord-Europa worden beschouwd als vrij van Q-koorts.

Europa

Q-koorts wordt in vrijwel alle landen van Europa beschreven, en C. burnetii-infecties zijn aangetoond bij vrijwel elk dier dat men daarop onderzocht heeft. Insecten zoals teken, luizen en vlooien kunnen gemakkelijk geïnfecteerd raken, maar er wordt aangenomen dat zij als vector geen belangrijke rol spelen in de verspreiding van de ziekte. C. burnetii kan zich snel verspreiden onder kuddes melkvee, schapen en geiten. In Nederland kwam het al voor in de periode 1982-1985: Twaalf gevallen via rundvee en twee gevallen via geiten. In Zuid-Europa worden schapen en geiten als de voornaamste infectiebronnen beschouwd, en levert het consumeren van jonge geitenkaas een groot risico op het verkrijgen van Q-koorts. Een merkwaardig fenomeen bij Q-koorts is dat epidemieën plotseling en zeer lokaal kunnen uitbreken in een omgeving waar het micro-organisme reeds lang aanwezig is. De reden voor zulke plotselinge verandering van virulentie van C. burnetii is onbekend. Q-koorts epidemieën werden recentelijk nog beschreven in Polen, Noord-Italië, Kreta, Duitsland en Frankrijk. Ook in Zwitserland was er een hoge incidentie van Q-koorts, die ook van belang is voor o.a. Nederland, omdat er een ernstige en chronische vorm van deze infectie aanwezig is: endocarditis. Een grote uitbraak vond plaats in Zwitserland in 1987 (Dup87). Deze uitbraak werd pas duidelijk drie weken nadat ongeveer 900 schapen vanuit de alpen weilanden naar de vallei waren afgedaald. Geografisch bereikte de epidemie alle plaatsen die langs deze route lagen. Ook komt Q-koorts steeds vaker voor in Duitsland. Volgens de gegevens van het Robert Koch-Institut in Berlin heeft het aantal patiënten zich sinds 2003 verdubbeld.

Klachten

Meer dan de helft van de mensen met Q-koorts heeft nagenoeg geen klachten. Mensen die wel klachten hebben, krijgen meestal (aanhoudende) koorts en heftige hoofdpijn. Andere klachten kunnen zijn: hoesten, spierpijn, gewrichtspijn, koude rillingen, nachtelijk zweten, malaise en vermoeidheid. Bij een ernstig verloop krijgen mensen een longontsteking met droge hoest en pijn op de borst. Sommige mensen krijgen een leverontsteking. Na Q-koorts kunnen patiënten lang last houden van, onder andere, vermoeidheid. Sommige mensen hebben meer dan een jaar last van deze vermoeidheid. De vermoeidheid is niet te behandelen, maar zal uiteindelijk wel verdwijnen.

Patiëntenorganisatie

De gevolgen van de ziekte voor de patiënten zijn groot. De (extreme) vermoeidheid kan leiden tot sociaal isolement omdat de patiënt niet langer in staat is om te werken of zijn dagelijkse bezigheden uit te voeren. Over de gevolgen van Q-koorts op de langere termijn is nog erg weinig bekend. Dat is natuurlijk zeer vreemd omdat Q-koorts al meer dan zeventig jaar bekend is. Vanwege de ingrijpende gevolgen van de ziekte, heeft een aantal Brabantse Q-koorts- patiënten begin november 2009 het initiatief genomen tot de oprichting van een patiëntenorganisatie voor Q-koorts-patiënten. Dit initiatief werd ondersteund door de PRVMZ (Provinciale Raad voor de Volksgezondheid en Maatschappelijke Zorg) en Zorgbelang Brabant.

Namen
Q-koorts is ook onder andere namen bekend. De bekendste synoniemen zijn:
• Krim-Fieber
• Query-Fieber
• Queensland-Fieber
• Balkan-Grippe
• Siebentagefieber
• Wüstenfieber
• Ziegengrippe

Risicogroepen
Mensen krijgen de Q-koorts voornamelijk via ademhaling van kleine besmette druppels die door geïnfecteerde dieren worden afgegeven. Het drinken van verse melk heeft ook al diverse infecties veroorzaakt. Mensen met het hoogste risico voor deze infectie zijn:
• Boeren;
• Laboratoriumpersoneel dat werkt met de Coxiella burnetii;
• Schapen- en geitenhouders;
• Dierenartsen.

Besmetting

Coxiella burnetii is een soort van intracellulaire pathogene bacterie, en is de verwekker van Q-koorts. Het geslacht Coxiella is morfologisch gelijk aan de rickettsia, maar wel met een verscheidenheid aan genetische en fysiologische verschillen. C. burnetii is een bacterie met twee groeifases; zoals een sporevorm handhaaft het zich in een voedingsbodem of cel, waardoor het de standaard desinfectiemiddelen kan overleven, en bestand is tegen vele andere veranderingen in het milieu. De ID50 (de dosis die nodig is om 50% van de proefpersonen te infecteren) is extreem laag. Deze extreem lage infectieuze dosis, maakt C. burnetii zelfs tot het meest besmettelijk organisme waarvan bekend is dat het bij de mens ziekmakende symptomen geeft en in twee fasen voorkomt: een acute fase die gepaard gaat met hoofdpijn, koude rillingen, en respiratoire symptomen, en een verraderlijke chronische fase.

Vier patiënten met een atypische pneumonie en een voorgeschiedenis van blootstelling aan wilde konijnen bleken antilichamen tegen Coxiella burnetii te hebben, maar niet tegen andere organismen die ook vaak geassocieerd worden met atypische pneumonie. Tien van de tweeëntwintig konijnen (45%), gevangen in het gebied waar één van de patiënten zijn konijnenvallen had staan, hadden antistoffen tegen Coxiella burnetii. Q-koorts moet daarom ook worden opgenomen in de differentiële diagnose van pneumonie verkregen na blootstelling aan wilde konijnen.

Biologisch wapen

Op grond van zijn overlevingskwaliteit is Coxiella burnetii een perfect biologische wapen, omdat deze een hoog percentage ziekteverzuim veroorzaakt. Zowel de Verenigde Staten als Rusland hebben dan ook al voor de Tweede Wereldoorlog deze veroorzaker onderzocht op zijn militaire waarden. Het is militair gezien vooral zo interessant omdat C. burnetii bijzonder resistent is tegen fysische en chemische invloeden. De Verenigde Staten hebben de Q-koorts als biologische wapen gebruikt tot 1970, Rusland zelfs tot ongeveer 1990. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er zich gedurende de Tweede Wereldoorlog omvangrijke epidemieën voordeden onder zowel Duitse als geallieerde troepen in Zuid- en Midden-Europa van een ziekte die destijds als ‘Balkangriep’ werd aangeduid. De Russen hebben het in de Krim ingezet. Achteraf bleken deze epidemieën veroorzaakt te zijn door C. burnetii. De Verenigde Staten hadden in 1941 een programma voor biologische oorlogsvoering ontwikkeld, dat in 1969 onder President Nixon ingesteld werd. Inzetbare wapensystemen met biologische ladingen had je in de VS voor Anthrax, Pest, Tularemie, Brucellose maar ook voor Q-koorts. En de minister maar zeggen: “het is een vrij onbekende ziekte”. Ook de pers neemt dergelijke ‘informatie’ weer vrolijk over. Kijk op de site van globalsecurity.org en u vindt voldoende informatie.

Behandelingen

Als u Q-koorts blijkt te hebben, dan krijgt u waarschijnlijk een antibioticakuur. Dat is op zich vreemd, omdat het bekend is dat dit biologisch wapen bestand is tegen dit soort middelen. In Oostenrijk wordt Q-koorts behandeld met nosoden, Q-Fever-Nos. Zoals we weten worden in Nederland tal van goede middelen verboden, zo ook de nosoden. Wat zijn nosoden? Het gebruik van nosoden is al 200 jaar bekend, in feite vormen ze de basis van de klassieke homeopathie. Nosoden hebben infectieus materiaal als uitgangsstof en zijn hiermee enigszins met een vaccin te vergelijken. Nosoden worden gemaakt van ziek weefsel en/of ziektekiemen. Dit betekent al, dat er ook weefsel kan worden gebruikt, dat van menselijke oorsprong is, aangezien bepaalde ziektekiemen alleen bij mensen gevonden worden. Doorgaans echter, zal niet-menselijk weefsel gebruikt worden. Voorbeelden hiervan zijn tuberculinum, psorinum, medorrhinum, luesinum en carcinominum.

De betreffende zieke weefsels en/of ziektekiemen worden gesteriliseerd en daarna tot een homeopatisch middel verwerkt volgens de gebruikelijke methode. Daarbij moet worden opgemerkt, dat bij verdunningen boven de 24, geen enkele molecule van de basisgrondstof meer in het middel aanwezig is (natuurkundig: getal van Avogadro). Dit betekent dus ook, dat het betreffende middel (aangezien bij nosoden uitsluitend hoge potenties worden gebruikt) volkomen veilig is. Nosodentherapie staat in nauwe relatie met isopathie. Bij isopathie wordt de zieke behandeld met zijn eigen ziekteproducten (transpiratievocht, etter, bloedserum, speeksel enz.), terwijl de nosodentherapie gebruik maakt van materiaal dat niet afkomstig is van de patiënt zelf. Nosoden kunnen toxinen van vroeger doorgemaakte infectieziekten losweken uit hun bindingen. Bij dergelijke nosoden dient men het proces te ondersteunen door ze in combinatie met een drainagemiddel voor te schrijven, zodat uitscheiding van de toxinen via de lever en nieren wordt gestimuleerd. Geheel conform de homeopatische denkwijze, zijn nosoden bedoeld om zo snel en sterk mogelijk een prikkel aan een bepaald ziek weefsel te geven, het immuunsysteem te activeren of zelfs ziekte te voorkomen.

Van deze middelen kan ook gebruik worden gemaakt als een vorm van ‘alternatieve’ vaccinatie, waarbij deze niet lang voor de eventuele besmetting toegepast wordt, maar juist op het moment dat een besmetting vermoed wordt of zelfs als de ziekte al uitgebroken is. Dat dit nogal een groot verschil is met reguliere vaccinatie (die immers juist niet na besmetting of aanvang van de ziekte en zelfs niet in de periode van besmetting of ziekte van een willekeurige andere ziekte toegepast mag worden) mag helder zijn. Gebruik is gekoppeld aan behoefte/noodzaak in tegenstelling tot de bij reguliere vaccinatie geldende gedachte dat vooruitlopend op de eventuele mogelijke besmetting het lichaam (in veel gevallen van kleine kinderen) al aanzienlijk (over-)belast wordt.

Het vaccin dat de overheid gebruikt voor het vaccineren van bepaalde specifieke doelgroepen (mensen in Oost-Brabant met verhoogde kans op complicaties door hart- en vaataandoeningen) is Q-vax, het enige beschikbare vaccin op dit moment. Er zijn echter meer vraagtekens dan duidelijkheden betreffende dit vaccin. Bij een onderzoek uit 1994 bleek dat het niet duidelijk was of het effect (na maximaal 5 jaar) helemaal te wijten was aan het vaccin of de duur van blootstelling aan de dieren. Bovendien kent het vaccin bijwerkingen bij maar liefst 18% van de patiënten, en deze zijn niet echt prettig. Toch wordt het middel voorgeschreven bij een mogelijke biologische aanval (zie het boek ‘Q fever: the neglected biothreat agent’).

Conclusie

Q-koorts is geen onbekende ziekte, ook al wil de overheid ons dat doen geloven. Q-koorts is juist bekend als een van de gevaarlijkste ziekten die er is, vanwege zijn besmettelijkheid en het feit dat er weinig tegen te doen is. Het feit blijft dat er geen adequaat middel is tegen Q-koorts. Het vaccin kent vele vraagtekens, en de nosoden mogen in Nederland niet gebruikt worden. Misschien zou een benadering zoals we die ook bij de ziekte van Lyme zien een juiste insteek kunnen zijn.

© Ed van der Post

RIVM/CIE jaargang 9 nummer 1 1998
http://www.cdc.gov/ncidod/eid/vol5no3/serbezov.htm
http://www.jimmunol.org/content/65/2/211.abstract
http://www.remedia.at/homeopathy/Q-Fever-Nos/a4045.html
http://www.globalsecurity.org/wmd/intro/bio_qfever.htm
Q fever: the neglected biothreat agent. Biomedical Sciences, Defence Science and Technology Laboratory, Porton Down, Salisbury, Wiltshire SP4 0JQ, UK. http://jmm.sgmjournals.org/cgi/content/full/60/1/9
Vaccine prophylaxis of Q fever. A follow-up study of the efficacy of Q-Vax (CSL) 1985-1990. Med J Aust. 1994 Jun 6;160(11):704-8.

DELEN