DELEN

In 1849 was Charles Darwin zo ziek dat hij niet in staat was iedere dag te werken. Hij had sinds 2-12 jaar verschillende verontrustende symptomen, hij schreef ook aan een vriend dat hij de weg van alle vlees zal gaan bewandelen. Via een advies van een vriend ging hij naar dr. James Manby Gully voor behandeling. Deze arts gebruikte waterbehandelingen (hydrotherapie) en homeopathische medicijnen. Ondanks dat Darwin vrij sceptisch was over deze behandelingen, bemerkte hij wel een duidelijke verbetering van zijn gezondheid, hoewel sommige van zijn spijsverterings- en huidklachten regelmatig terugkeerden in zijn leven. Hij ging wel steeds meer de waterkuren waarderen, maar bleef sceptisch tegenover homeopathie, zelfs toen zijn eigen experimenten op insectenetende planten met behulp van wat kan worden omschreven als een homeopathische doses van ammoniumzouten hem verbaasde en schokte vanwege de belangrijke biologische effecten. Darwin twijfelde of hij deze resultaten wilde publiceren. Ook twee van Darwins zonen waren zeer sceptisch, maar hun opmerkingen bevestigden de resultaten van zijn experimenten. Van Darwin weten we ook dat hij een boek over evolutie heeft gelezen, geschreven door een homeopathisch arts, dat Darwin omschreven heeft als vergelijkbaar met zijn eigen, maar het ‘gaat veel dieper.’

Het jaar 2009 is zoals we weten een belangrijk jaar vanwege Charles Darwin. Het is 200 jaar geleden dat Charles Darwin (1809–1882) is geboren, en 150 jaar geleden dat zijn baanbrekend werk, On the Origin of Species (1859) werd gepubliceerd. En toch weinig mensen weten dat het, volgens zijn eigen brieven, maar de vraag is of hij lang genoeg geleefd zou hebben om zijn belangrijke wetenschappelijke werk in 1859 te publiceren, als hij in 1849 niet was behandeld door dr. James Manby Gully, de homeopathisch arts die gebruik maakte van hydrotherapie, homeopathische geneesmiddelen en andere complementaire geneeswijzen. Deze merkwaardige reeks van ervaringen zou eigenlijk de geschiedenis van de wetenschap moeten veranderen. Merkwaardig is ook dat in de reeks televisie-uitzendingen “Beagle, in het kielzog van Darwin” juist deze belangrijke gebeurtenis in zijn leven niet wordt genoemd. De reden hiervoor was dat er gezien de context van de uitzending geen plaats voor was.

Toen Darwin pas zestien jaar oud was, bracht hij een zomer door als leerling van zijn vader, die arts was. Later bezocht hij de universiteit van Edinburgh om daar medicijnen te gaan studeren. Maar hij kreeg daar een afkeer van de brutaliteit en de primitieve chirurgie en medische behandelingen van die periode. Hij ging toen aanvankelijk biologie studeren, maar zijn vader stond er op dat hij naar de Universiteit van Cambridge ging. Na zijn afstuderen in Cambridge in 1831, begon hij aan wat later een vijf jaar durende reis zou worden op de HMS Beagle. Hij bracht de kust van Zuid-Amerika in kaart. Aan boord van het schip kreeg Darwin last van zeeziekte, en in oktober 1833, in Argentinië, kreeg hij koorts. In juli 1834, terwijl hij terugkeerde van de Andes naar de kust van Chili, werd hij zo ziek dat hij een maand in bed moest blijven.

Vanaf 1837 is Darwin regelmatig niet in staat om te werken, en heeft hij perioden van buikpijn, braken, ernstige steenpuisten, hartkloppingen, trillingen en andere symptomen. Met de kennis van nu zeggen sommige artsen dat Darwin de ziekte van Chagas kan hebben gehad, opgelopen door insectenbeten in Zuid-Amerika. Anderen suggereren dat hij leed aan de ziekte van Menière. Onlangs hebben wetenschappers geopperd dat Darwin last van systemische lactose-intolerantie kan hebben gehad, maar het blijft allemaal speculatie. De artsen van toen hadden in ieder geval geen idee wat zijn probleem was, en al hun behandelingen maakten het alleen maar erger. In 1847 werd Darwin steeds zieker. Opnieuw beleefde hij frequente perioden van braken en zwakte, maar hij viel nu ook flauw en zag vlekken voor zijn ogen. In maart 1849 was hij zo ziek, dat hij dacht dat hij ging sterven. Darwin schreef aan zijn goede vriend, J.D. Hooker, een Engelse botanicus, “…ik niet in staat ben om maar iets te doen en dat stemt mij mistroostig”. Wat moest hij doen? Het is natuurlijk moeilijk te zeggen of Charles Darwin nog gezond genoeg zou zijn geweest om de volgende tien jaar te blijven leven terwijl de artsen niets voor hem konden doen, laat staan dat hij met zo´n lichaam zo hard zou hebben kunnen werken dat zijn baanbrekende boek er was gekomen. Gelukkig voor de hele mensheid zocht Charles Darwin toevlucht tot een ander type medische zorg en zou hiermee zijn gezondheid terug krijgen.

foto:darwinbeagle.blogspot.nl
foto:darwinbeagle.blogspot.nl

Het was Kapitein Sullivan van de HMS Beagle, die Darwin aanvankelijk vertelde over een ander soort medische behandeling, door dr. James Manby Gully (1808-1883). Eén van Darwins neven, William Darwin Fox, vertelde hem dat twee vrienden enorm baat hadden gehad bij dr. Gullys behandeling. Deze dr. Gully was afgestudeerd aan de Universiteit van Edinburgh als arts, en was een onverzettelijk tegenstander van het gebruik van de medicijnen uit die tijd. Gully was bijzonder kritisch over polyfarmacie, de gangbare praktijk van het gebruik van meerdere medicijnen tegelijk voor een patiënt, een situatie die vandaag de dag nog steeds normaal is. Zijn praktijk bestond daarom naast de hydrotherapie en dieetadviezen, ook uit voorgeschreven homeopathische geneesmiddelen en medisch aanbevolen leeswerk. In 1846 schreef hij een populair boek met de titel ‘Water Cure in Chronic Disease’, waarvan we weten dat Darwin dit ook gelezen heeft.

Uiteindelijk koos Darwin er voor om dr. Gully te bezoeken, en besloot om de hele familie mee te nemen (vrouw Emma en hun zeven kinderen). Dr. Gully en zijn praktijk was gelegen in Malvern (net ten zuidwesten van Birmingham), ongeveer 150 mijl van het huis van de Darwins.

In vrijwel elke biografie van Charles Darwin wordt verwezen naar zijn gezondheidsproblemen, en wordt erkend dat het de arts dr. Gully was die Darwin effectief behandelde. Maar de meeste van deze biografieën verwijzen naar dr. Gully als zijnde een ‘hydrotherapist’, en slechts enkele noemen hem ook een homeopathisch arts. Na de behandeling van slechts negen dagen, had Gully aan Darwin een homeopathisch geneesmiddel voorgeschreven. Deze schrijft: “Ik betreur het om te zeggen, maar dr. Gully geeft me homeopathische geneesmiddelen, die ik gehoorzaam neem, zonder een atoom van het geloof.” Darwin ging verder: “Ik mag dr. Gully graag – hij is zeker een bekwaam man.” Het feit dat Darwin Gully ‘mag’ geeft aan dat het hem niet overtuigt dat homeopathische geneesmiddelen doeltreffend zouden zijn. In de editie van het boek van dr. Gully uit 1846 merkt Gully zelf op dat hij twijfelt aan het gebruik van homeopathische geneesmiddelen, bij bepaalde chronische ziekten.

In 1848, werd dr. Gully lid van de British Society of Homeopathy, en hij hield zijn lidmaadschap tot 1871. In latere edities van zijn boek beschrijft hij wel zijn positieve ervaringen met homeopathie, en veranderde zijn visie over het onderwerp. In de 5e editie van het boek (1856) bijvoorbeeld, schrijft hij dat het gebruik van conventionele geneesmiddelen bij de behandeling van chronische constipatie, niet genezen en zelfs kunnen leiden tot een terugval, terwijl er een significant verschil is met homeopathische zorg: “…dat waarin homeopathische behandeling wordt gebruikt deze krachtdadig is en permanent geneest.” Met betrekking tot de behandeling van hoofdpijn, is het gebruik van homeopathische geneesmiddelen “niet alleen verdedigbaar, maar ook wenselijk”.
Ten slotte blijft Gully beweren dat homeopathische artsen opgemerkt hebben dat patiënten die gebruik maken van hydrotherapie vatbaarder zijn voor de effecten van de middelen dan andere personen, en dat daarom de resultaten nog beter kunnen worden berekend. Hij heeft gemerkt dat deze bewering juist is, en “het bevestigt de bezielende invloed van het water op de genezing van de lichamelijke functies” (p. 48)(de huidige homeopathie heeft met deze opmerking nooit iets gedaan).
Deze opmerking over het gebruik van gelijktijdige behandeling van waterbehandeling en homeopathische geneeskunde lijkt overeen te komen met de ervaringen van natuurgeneeskundige artsen bij wie het bekend is dat de combinatie van behandelingen uiterst effectief kan zijn, zoals de combinatie van homeopathie met voedingsadviezen.
Hoewel Darwin eerst uiterst sceptisch was over waterbehandelingen en homeopathische geneeskunde, moest hij slechts twee dagen later (30 maart 1849) toegegeven: “Ik heb al zo veel voordeel dat ik echt hoop dat mijn gezondheid zich hersteld.” Na acht dagen brak huiduitslag uit op zijn benen. Hij was eigenlijk blij om dit probleem te ervaren, omdat hij al eerder had opgemerkt dat zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid aanmerkelijk verbeterden na huiduitslag. Zo verliep er een maand zonder braken, een zeer zeldzame ervaring voor hem, en hij kwam zelfs iets aan. Op een dag verraste hij zichzelf door een aantal kilometers te kunnen lopen. Hij schreef aan een vriend: “Ik ben veranderd in een louter wandelende & eetmachine.” Na slechts een maand van behandeling, moest Charles toegeven dat Gullys behandeling geen kwakzalverij was. Na zestien weken voelde hij zich als een nieuw mens, en in juni was hij in staat naar huis te gaan om zijn belangrijke werk te hervatten. Darwin schreef eigenlijk dat hij “zich bijna perfect van gezondheid voelde”. Het is het waard om op te merken dat homeopaten consequent hebben opgemerkt dat de behandeling met homeopathische geneesmiddelen vaak leidt tot huiduitslag, andere reacties van de ziekte, of de herbeleving van oude symptomen, die vaak vooraf gaan aan de algehele verbetering van de gezondheid. Homeopaten noemen dit genezingsproces de ‘wet van Hering’, genoemd naar Constantine Hering, MD, de vader van de Amerikaanse homeopathie, die voor het eerst hierover schreef. Hij stelde dat er sprake was van verbetering als de klachten zich verplaatsten: van binnen naar buiten; van boven neerwaarts; van de meest belangrijke naar minder belangrijke organen; van het centrum naar de periferie; symptomen verdwijnen in omgekeerde volgorde van verschijnen.
Ondanks de sterk verbeterde gezondheid van Darwin, heeft hij nooit publiekelijk enige voordelen t.a.v. de homeopathie bekend gemaakt. De reden was, en er is wat dat betreft nog steeds niets veranderd, dat homeopathie ondanks zijn populariteit binnen het Britse koningshuis, tal van literaire grootheden en welgestelden, er ongelooflijk veel vijandigheid bestond vanuit de orthodoxe artsen en wetenschappers. En omdat Darwin nog maar net begonnen was aan zijn eigen nieuwe ideeën over de evolutie, zou het professionele zelfmoord zijn geweest om zijn positieve ervaringen met homeopathie bekend te maken. Om dan de homeopathie te verdedigen zou dit zijn geloofwaardigheid bij zijn collega’s hebben geschaad, omdat deze zeer vijandig tegenover dit opkomende medisch specialisme stonden.

Darwin kreeg door de jaren heen soms nog terugvallen met betrekking tot zijn spijsverteringsklachten en de huidsymptomen, maar keerde dan terug naar de kliniek van dr. Gully voor meer behandelingen. Soms bleef hij er twee tot acht weken. Hoewel Darwin in het begin klaagde over de “volledige stagnatie van de geest”, had hij bij zijn latere bezoeken geen vergelijkbare problemen meer. In feite beweerde hij dat zijn geest alerter was en dat het zijn wetenschappelijk schrijven goed deed.
Hij leefde nog meer dan 33 jaar, en het is verrassend maar ook verwarrend dat het verhaal van de succesvolle ervaringen van Darwin met hydrotherapie en homeopathie niet is uitgegroeid tot een integraal onderdeel van de geschiedenis, en van de wetenschap en de geneeskunde van vandaag. Na zijn aanzienlijke verbetering t.a.v. zijn aanhoudende misselijkheid en braken, vaak flauwvallen, vlekken voor zijn ogen, invaliderende buikpijn, ernstige vermoeidheid, wijdverbreide steenpuisten, zenuwenklachten en hartkloppingen, was hij door zijn behandeling in staat geweest om zijn baanbrekend wetenschappelijk werk te doen.

Het is ook fascinerend om te weten dat Darwin zelf een ook aantal experimenten uitvoerde en de effecten van lage doseringen van de insectenetende plant (Drosera rotundifolia) onderzocht. Het middel wordt veelvuldig gebruikt in homeopathische geneeskunde. Hij ontdekte dat de oplossingen van bepaalde zouten de klieren van de tentakels van de plant stimuleerden en veroorzaakten dat de plant zich naar binnen trok. Hij verdunde deze oplossing steeds meer, maar de plant was nog steeds in staat om de aanwezigheid van het zout op te sporen.

Op 7 juli 1874 schrijft hij naar de bekende fysioloog prof. F. C. Donders uit Utrecht, dat hij heeft geconstateerd dat 1/4 000 000 van een korrel zout een aantoonbaar effect heeft op de Drosera, en Darwin was geschokt en verbijsterd om te schrijven, dat zelfs 1/20 000 000 deel van een korrel hetzelfde effect heeft. “Nu voel ik mij zeer ongelukkig bij de gedachte om een dergelijke verklaring te publiceren.” Verbaasd door zijn observatie, vergeleek Darwin dit met een hond die de geur van een dier op een halve kilometer afstand kan waarnemen. Hij zei: “…en deze deeltjes moeten oneindig veel kleiner zijn dan een twintig miljoenste van een korrel van dit zout.
Darwin ontdekte ook dat de Drosera niet gewoon gevoelig is voor iedere stof. Hij testte verschillende alkaloïden en andere stoffen die krachtig inwerken op het zenuwstelsel mensen en dieren, maar hadden geen enkel effect op de Drosera. Hij concludeerde hieruit dat de “macht van het verstrekken van invloed op andere delen van het blad, waardoor beweging, of aangepaste secretie, of samenvoeging ontstaat, niet afhankelijk is van de aanwezigheid van een diffuus element, gelieerd aan zenuwweefsel”. Darwin bevestigde een belangrijke homeopathische constatering, namelijk dat levende systemen overgevoelig zijn voor slechts bepaalde stoffen. Helaas en vreemd, conventionele wetenschappers hebben de homeopaten aangevallen voor het gebruik van zeer kleine doses van stoffen zonder rekening te houden met dit feit, dat levende systemen -mens, dier of plant- overgevoelig zijn voor een beperkt aantal stoffen. En dit is de basis van de homeopathie; het vinden van een stof bij het betreffende unieke individu. Darwin was zo verrukt van zijn experimenten op de Drosera dat hij op 24 november 1860, net één jaar na de publicatie van zijn baanbrekende boek, schreef: “Op dit moment ben ik meer betrokken bij de Drosera dan bij de oorsprong van alle soorten in de wereld.”

In het archief van brieven van Darwin is er ook een andere interessante verwijzing naar homeopathie te vinden. Dit was op 20 augustus 1862, in een brief aan Asa Gray, een professor in de plantkunde. Een groot aantal van de brieven van 1862 behandelt het werk de Orchid (On the various contrivances by which British and foreign orchids are fertilised by insects, and on the good effects of intercrossing). Als voorbeeld van de brieven die hij ontvangen heeft kan worden genoemd de brief van een Duitse homeopathische arts, een vurige bewonderaar van de ‘Origin’. Hij had zelf bijna eenzelfde soort boek gepubliceerd, maar hij gaat veel verder. Hij verklaart hierin het ontstaan van planten en dieren via de principes van de homeopathie of door de wet van ‘spirality’. Het boek werd binnen Duitsland niet goed ontvangen, en daarom wilde hij het in het Engels laten vertalen en publiceren in Engeland. Wat intrigerend is, is de verklaring aan Darwin dat hij beweert dat zijn boek vergelijkbaar is met de ‘Origin’, maar wel veel dieper gaat.

Het is ironisch dat zoveel artsen en wetenschappers in de afgelopen 150 jaar de groei en de ontwikkeling van onconventionele medische behandelingen lijken te hebben belemmerd. Tot en tenzij artsen en wetenschappers leren van de geschiedenis, zullen we steeds dezelfde fouten maken en gewoon de evolutie naar een echt gezond medisch zorgcircuit vertragen.

Voor meer informatie: Dana Ullman, Homeopathic Educational Services, 2124 Kittredge St., Berkeley, CA. Tel: 510-649-0294; Fax: 510-649-1955; E-mail: mail@homeopathic.com

© Ed van der Post

DELEN