Vitamine E welke wint?

DELEN

Tijdens het Internationaal Chemie Congres in Honolulu, een 5-jaarlijkse bijeenkomst georganiseerd door scheikundige organisaties uit Amerika, Canada, Japan, Australië en Nieuw Zeeland, vonden zo’n 8000 presentaties van de nieuwste onderzoeken plaats. Onder de vele resultaten waren enkele opvallende uitkomsten van studies naar het effect van natuurlijke stoffen op ziekte en gezondheid. We willen er daarvan een paar onder uw aandacht brengen. Tevens gaan we hierbij dieper in op het verschil tussen verschillende vormen vitamine E.

Moerbeiboom

Medewerkers van de Filippijnse Universiteit van Santo Tomas in Manilla meldden wetenschappelijk bewijs te hebben verzameld voor de werking van de Hawaiiaanse Moerbeiboom bij tuberculose. Traditionele genezers van het eiland gebruiken deze Noni-plant al veel langer voor dit doel. Chemici uit Manilla vonden uit welk bestanddeel van de plant daar verantwoordelijk voor is. Dit blijkt phytosterol te zijn, een plantaardig steroïde. De groep onderzocht de werking van verschillende planten bij een infectie met de tuberkelbacterie. Tijdens laboratoriumtests bleken de bladeren van de Noni-plant 89% van de ziekteverwekkers uit te schakelen. Ter vergelijking: het gebruikelijke middel rifampicine haalt 97%. Phytosterol is structureel anders dan genoemd medicijn. Volgens de onderzoekers zal de stof dan ook volgens een ander mechanisme werken. Het is nog niet bekend hoeveel van het extract nodig is om een therapeutisch effect te behalen. Daarvoor zal onderzoek moeten plaatsvinden bij dieren en mensen. In hoeverre het werkzame bestanddeel ook voorkomt in het fruit of de wortels van de plant is evenmin bekend.

Avocado

Niet alleen de Moerbeiboom, ook avocado’s deden van zich spreken in Honolulu. Deze groene vrucht blijkt meer in zich te hebben dan een gezonde dosis vitamine C en E, vezels, kalium, foliumzuur en meervoudig onverzadigde vetten. Wetenschappers van de Japanse Universiteit van Shizuoka meldden dat avocado’s ook stoffen bevatten die de lever beschermen tegen beschadiging. De groep bestudeerde het effect van 22 soorten fruit bij ratten met leverschade. Avacado’s scoorden het best als potentiële beschermers van het orgaan. Volgens de onderzoekers zijn vijf verschillende stoffen in de vrucht hiervoor verantwoordelijk. Hoe deze te werk gaan, hoeveel van het extract nodig is en of de resultaten zijn te vertalen naar de mens, konden zij niet zeggen; daar is meer onderzoek voor nodig. Gezien de resultaten verwachtten de Japanners dat avocado’s vooral bij virale infecties als hepatitis veelbelovend kunnen zijn.

Algen

Veelbelovend zijn ook de onderzoeksresultaten van William Gerwick, professor aan de Universiteit van de Amerikaanse staat Oregon in Corvallis. Hij vond een interessant stofje in blauwgroene algen, ook wel cyano-bacteriën genoemd, die onderzoekers kan helpen de zenuwfuncties te doorgronden. De stof kalkitoxine zou volgens Gerwick in de toekomst zelf kunnen leiden tot nieuwe behandelingsmogelijkheden van pijn, epilepsie en beroertes. Wat kalkitoxine precies voor een functie heeft in algen, is onbekend. Echter uit onderzoek bij vissen en garnalen blijkt dat de stof in staat is zenuwcellen uit te schakelen. “Dat gebeurt via de natriumkanalen”, zegt professor Gerwick. “Door het blokkeren van deze kanaaltjes in het membraan van de cel, wordt voorkomen dat deze elektrische signalen afgeeft.” Opmerkelijk is dat ook epilepsiemiddelen als topiramate op deze manier werken, evenals pijnstillers als lidocaine.

Vitamine E en Alzheimer

De internationale chemie-wereld besprak verder de werking van vitamine E bij de ziekte van Alzheimer. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat hoge dosis van deze vitamine het proces van de ziekte kan afremmen. Wetenschappers van de universiteit van Kentucky in Lexington denken te hebben uitgevonden hoe dit komt. De ziekte van Alzheimer kenmerkt zich door een overmatige productie van het eiwit beta-amyloïde in de hersenen (eiwitplaques). Het eiwit wordt ervan verdacht zogenaamde vrije radicalen te produceren die giftig zijn voor de hersenen. Volgens de leider van het onderzoek, professor Allan Butterfield, is de eiwitbouwstof methionine hiervoor verantwoordelijk. Aangezien vitamine E als een antioxidant werkt en dus giftige vrije radicalen kan wegvangen, zou het ziekteproces daarom kunnen worden geremd. Het is echter wel belangrijk om te weten wat we nu eigenlijk verstaan onder Vitamine E.

Vitamine E uit voeding is superieur

Vitamine E is een vitamine die bestaat uit een mengsel van acht verschillende, vetoplosbare stoffen, vier tocoferolen en vier tocotrienolen. De meest actieve component is α-tocoferol. Vitamine E is een antioxidant. De functies van vitamine E zijn onder andere het ontgiften van oxiderende radicalen, het stabiliseren van celmembranen, en zelfs het beschermen van vitamine A tegen oxidatie. 90% van de vitamine E in het ons lichaam wordt opgeslagen in vetweefsel. Er zijn vandaag de dag heel wat producten op de markt die vitamine E bevatten. Er zijn zelfs nieuwe preparaten met natuurlijke vitamine E. Maar zijn die allemaal hetzelfde? Zijn alle zogenaamde natuurlijke, op voeding gebaseerde vitamine E-formules wel natuurlijk? Is het gebruik van tweemaal zoveel synthetische vitamine E even goed als een dosis natuurlijke vitamine E? Is het terecht dat de wetenschap de natuurlijke vitaminen meer promoot dan de synthetische? Behandelt het lichaam natuurlijke vitamine E anders dan synthetische vitamine E?

Vitamine E-onderzoek

Recentelijk is er waarschijnlijk meer vergelijkend onderzoek gedaan naar vitamine E dan naar enige andere vitamine. De synthetische en natuurlijke afgeleide alfa-tocopherol, en hun estervormen, worden algemeen gebruikt in vitamine E-supplementen. Deze diverse vormen leiden tot isomeriseren (chemische verbindingen die moleculair gelijk zijn, maar verschillende eigenschappen hebben). Esterverschillen en formuleringsverschillen kunnen hun absorptie en het gebruik beïnvloeden. De natuurlijke vitamine E, zoals die in voedsel wordt gevonden, is [d]-alfa tocoferol, terwijl de chemische synthese een mengsel van acht epimeren veroorzaakt. Natuurlijke vitamine E is onlangs van naam veranderd: het is nu RRR-alfa-tocoferol, terwijl de synthetische nu alle-rac-alfa-tocoferol genoemd wordt. Supplementetiketten maken dit echter zelden duidelijk. Op supplementetiketten is het D-alfa-tocoferol over het algemeen natuurlijke vitamine E, terwijl het dl-alfa-tocoferol over het algemeen synthetisch is. De natuurlijke RRR-alfa-tocoferol heeft 1,7 tot 4,0 keer meer kracht om de vrije radicalen te elimineren dan de andere tocoferol. RRR-alfa-tocoferol heeft 3 keer de biologische activiteit door de alfa-tocotrienolen dan de synthetische vitamine E, die deze biologische activiteit van natuurlijke vitamine E eenvoudigweg niet bezit. Sommige synthetische vormen hebben zelfs slechts 2% van de biologische activiteit van RRR-alfa-tocoferol.
De biologische activiteit van vitamine E is gebaseerd op zijn capaciteit specifieke vitamine E-deficiëntiesymptomen om te keren. Daarom is het een wetenschappelijk feit dat in zijn algemeenheid, synthetische vitamine E minder capaciteit heeft om vitamine E deficiënties te verminderen dan natuurlijke vitamine E uit voedsel. Er is hiervoor een interessante reden. Het lichaam gebruikt namelijk een specifieke lever alpha-tocoferol transportproteïne, terwijl het een dergelijke proteïne voor andere vitamine E-vormen niet heeft. Met andere woorden: de lever produceert een proteïne om de natuurlijke vitamine E die in voedsel zit te verwerken, maar niet voor de synthetische vormen. Het voedingscentrum maakt geen enkel onderscheidt in synthetische en natuurlijke vitamine E

(Ze zeggen letterlijk: “Inmiddels is van iedere natuurlijke vitamine een synthetische variant met dezelfde werking voorhanden”)

In het Journal of the American Dietetics Association stond een groots aangekondigd artikel, waarin stond: “de natuurlijke en synthetische vormen van vitamine E leveren voor mensen dezelfde gezondheidsvoordelen op. Dit was echter geen verantwoord artikel, aangezien het slechts één bepaalde functie van vitamine E beschouwde, onderzocht in één enkele studie. Toch werd het volgende verklaard: “In tegenstelling tot de bevindingen die tijdens dierstudies werden gevonden, schijnt de mens in staat te zijn natuurlijke en synthetische vormen te kunnen absorberen.” Deze conclusie was gebaseerd op één enkele studie op mensen door Devaraj (et al), waarin de personen grote hoeveelheden natuurlijke of synthetische vitamine E kregen die dezelfde voordelen hadden bij het remmen van het oxidatieproces van cholesterol (LDL-C). Hoewel deze studie waarde heeft, bewijst het niet dat synthetische en natuurlijke vitamine E dezelfde werking hebben. Vitamine E heeft namelijk meer positieve effecten op het lichaam dan alleen de remmende werking op het oxidatieproces van LDL-C.
Drie artikelen verder in dezelfde krant stond nota bene een klein stukje met de volgende informatie: “De placenta, de lever, of allebei, zijn in staat onderscheid te maken tussen natuurlijke (RRR-) en synthetische (alle-rac-) alfa-tocoferol. RRR-alfa-tocoferol wordt bij voorkeur vervoerd, en niet alle-rac-alfa-tocoferol. Moederplasma en lipoproteïnen en de navelstreng hadden op het tijdstip van de bevalling hogere concentraties natuurlijke dan synthetische tocoferol, ongeacht de ontvangen vitamine E-dosis.” Hiermee werd in kleine letters beschreven wat de grote krantenkoppen verzwegen, namelijk dat natuurlijke vitamine E in het lichaam anders werkt dan synthetische vitamine E, oftewel dat natuurlijke vitamine E superieur is aan synthetische vitamine E.

Deze studies tonen aan dat hoewel synthetische vitamine E enige overeenkomstige voordelen kent met de natuurlijke vitamine E, het niet hetzelfde is als de natuurlijke vitamine E uit voeding. Waarbij, zelfs wanneer je tien keer zoveel van de synthetische vitamine E slikt dan van de natuurlijke vitamine E, het er alleen voor zorgt dat je de synthetische sneller via de urine kwijt raakt dan dat het bijdraagt tot een gezonder menselijk lichaam. De belangrijkste reden waarom geïsoleerde USP-vitamines worden ontwikkeld zijn de kosten. Een tweede reden is waarschijnlijk standaardiseren (het is moeilijker om voedsel te standaardiseren), met inbegrip van stabiliteit. Alleen geen van beide redenen rechtvaardigt het plaatsen van USP-vitamines op hetzelfde gezondheidsniveau als natuurlijke vitamines die uit voedsel worden geïsoleerd.

Conclusie

De aangehaalde studies suggereren dat de biologische beschikbaarheid van natuurlijke complexe vitamine E beter is dan die van geïsoleerde USP-vitamine E omdat het door het lichaam bij voorkeur worden gebruikt. Het is niet altijd duidelijk of deze voordelen aan de fysiochemische vorm van de vitamine is toe te schrijven of aan het feit dat het doordat het een natuurlijk product is het in één of andere combinatie met andere stoffen wordt gevonden. Hoe dan ook, het lijkt logischer te zijn voor het behouden van een normale gezondheid omde natuurlijke vitamine E te gebruiken, die superieur is aan USP-vitamine E.. Zelfs als er aan de nieuwe vormen van vitamine E die op de markt zijn farmacologisch kwaliteiten worden toebedeeld, kijken we vanuit de CAM-geneeswijzen naar de natuurlijke waarden. Het gebruik van vitamine E uit voedsel of uit supplementen die zo dicht mogelijk het voedsel benaderen moet de voorkeur hebben, ook aangezien het feit dat niemand nog op de hoogte is van de effecten van het gebruik van synthetische vitamines bij langdurig gebruik. Het is dan ook logisch om vanuit zowel een historisch als modern perspectief vitaminen die in natuurlijke voedselcomplexen worden gevonden te consumeren en niet te proberen gezondheid te laten afhangen van producten die chemisch zijn geproduceerd.

http://hackberry.chem.trinity.edu/PHYS/newsS00.html
http://www.chinaphar.com/1671-4083/23/1127.pdf

DELEN