Rode bietenpoeder concentraat

DELEN

rode bietDe rode biet is een lid van de amarantenfamilie, bekend onder de naam Beta vulgaris. Bieten worden meestal gekweekt voor gebruik in de keuken. Maar ook binnen de traditionele volksgeneeskunde wordt de Beta vulgaris voor verschillende behandelingen gebruikt. Zo pasten de Romeinen de biet al toe bij constipatie, wonden en koorts. De donkere rode kleur van bieten is te wijten aan een intens karmozijnrood pigment genaamd betanine. Bieten bevatten verder onder andere ook suikers (tot 22%), waardevolle vezels, anthocyanen en betaïne. Momenteel wordt de Beta vulgaris vooral gebruikt om het lichaam te beschermen tegen oxidatieve stress. Met name het sap van de bieten wordt aanbevolen bij bloedarmoede en geelzucht en voor het zuiveren van de lever en de milt.

De stof n-butanol uit de Beta vulgaris heeft een hepatoprotectieve werking: het verdedigt onze leverweefsels tegen chemische, oxidatieve en pathogene schade. Ook speelt het een potentiële rol bij de behandeling van alcoholische leverziekten. De Science Daily publiceerde recentelijk (2013) de resultaten van twee wetenschappelijke studies. Het eerste onderzoek, van de Queen Mary Universiteit in Londen, gaf te zien dat het drinken van 250 ml (een flink glas) bietensap de bloeddruk bij volwassenen aanzienlijk vermindert. Onderzoekers hebben aangetoond dat het lichaam het nitraat in de bieten omzet in stikstofoxide, wat een verwijdende werking op de grote bloedvaten heeft waardoor de bloeddruk zakt. Het tweede onderzoek, uitgevoerd aan de Wake Forest University, liet zien dat het drinken van bietensap de bloedtoevoer naar de frontale kwabben in de hersenen bij oudere volwassenen verhoogde. Dat is belangrijk omdat een verminderde bloedtoevoer naar de hersenen vaak te maken heeft met diverse leeftijdsgerelateerde cognitieve problemen.

De Biet

De gecultiveerde vormen van de Bèta vulgaris worden al sinds de oudheid gebruikt voor hun geneeskrachtige eigenschappen. De biet wordt gebruikt voor het verbeteren van de bloedsomloop, voor het hart en het spijsverteringssysteem, maar wordt ook gezien als laxeermiddel, als middeltje voor een slechte adem, hoest en hoofdpijnen, en zelfs als afrodisiacum. De biet wordt zelfs ingezet om kanker te voorkomen en om het immuunsysteem te versterken. De biet is rijk aan vele belangrijke mineralen en micronutriënten. Bovendien is het een voedzame groente met veel goede eigenschappen.

De biet in de oudheid

Bèta vulgaris werd lang gezien als een geneeskrachtige plant. In de Romeinse tijd werd hij gebruikt voor het behandelen van koorts, constipatie en andere kwalen. Het blad van de gecultiveerde Bèta vulgaris werd tijdens de Romeinse tijd als groene groente gebruikt, terwijl de wortels voor medische indicaties werden gebruikt. Dioscorides (in de Materia Medica) en Galen verwijzen bijvoorbeeld allebei naar de wortel van de witte biet als zijnde geneeskrachtig.

In Apicius The Art of Cooking, zijn er vijf recepten voor het maken van een bouillon die als laxeermiddel kan worden gebruikt, waarvan er drie de wortels van de biet bevatten.

In het eerste recept worden zeer kleine bieten (Betas Minutas) gekookt in water, met prei, in een ondiepe pan. Peper en komijn worden vermalen, bevochtigd met liquamen en passum, en toegevoegd aan de bouillon. Het mengsel wordt gekookt en moet daarna onmiddellijk worden gebruikt. Liquamen is een saus die in plaats van zout in de Romeinse tijd werd gebruikt. Het bevatte ansjovissen of andere vissen en werd gemaakt in fabrieken die allemaal hun eigen recepten gebruikten. Passum is een zeer zoete Romeinse wijn. (wilt u hierover meer weten kijk dan op www.coquinaria.nl)

In een ander recept is het belangrijkste ingrediënt polypody (Polypodium vulgare…de gewone eikvaren), waarbij de biet niet is inbegrepen. De wortel van de eikvaren wordt in water gekookt en door een zeef gewreven en gemengd met gemalen peper en komijn. Deze bouillon wordt warm gedronken. De Griekse arts Dioscorides had al eerder de wortel van polypody als laxeermiddel beschreven. Polypodium vulgare bevat osladin, een zoete saponine). Momenteel staat deze stof weer in de belangstelling als zoetstof. In de kruidenboeken wordt de wortel al geprezen om zijn milde laxerende werking, als slijmoplossend middel en om zijn spijsverteringseigenschappen. Er zijn meerdere recepten te lezen, maar niet allemaal even interessant.

Hippocrates pleitte ook voor het gebruik van bietenbladeren als een soort verband. Hij gebruikte bieten bijvoorbeeld als bindmiddel, na de behandeling van fistels met zalven (in “On Fistulae” 400 v.Chr.). In de Talmud, (die de Joodse wetten bevat, geschreven in de vierde en vijfde eeuw) adviseerden de rabbijnen al: “Het eten van bieten, het drinken van honingwijn en het baden in de Eufraat geeft een lang en gezond leven.”

Herbalisten

Na de middeleeuwen werd de biet voor diverse behandelingen bij talrijke ziekten gebruikt, maar hoofdzakelijk voor die met betrekking tot de spijsvertering en het bloed. Platina (beter bekend als Bartolomeo Sacchi) schreef in “De Honesta” uit 1460 dat de biet een goed middel is tegen slechte adem, vooral “knoflookadem”. Hij adviseerde plakken biet te roosteren en die te eten met de knoflook, om de bovenmatige geur van knoflook op de adem te niet te doen.

In zijn boek Herball uit 1597, merkt John Gerard op dat het sap van gekookte witte bietenbladeren, in het neusgat gebracht (soort neusdruppels) het slijm oplost en het hoofd helder maakt. Nicholas Culpeper schrijft echter in zijn “Herball” uit 1653 dat het het sap van de wortel van de rode biet is dat, wanneer het in de neusgaten wordt gebracht, het hoofd helder maakt, en de ruis in de oren, maar ook bij tandpijn gebruikt kan worden. In Engeland werd in die tijd het bietensap of bouillon daarvan geadviseerd als gemakkelijk verteerbaar voedsel voor de bejaarden en de verzwakten. John Parkinson, in “A Garden of Pleasant Flowers” (1629), schreef dat de bladeren van bieten veel worden gebruikt om opgezette buiken te verminderen,  terwijl de wortels van de biet, met wat honing en zout vermengd, en ingewreven op de buik, de stoelgang bevorderen. Culpeper schrijft ook dat het nierenreinigend is en hiermee het urineren stimuleert.

Er is een oud Engels gezegde over de effecten van de biet, namelijk: “Beetroot is good for the blood”. Het wordt vaak beschreven als een “bloedmaker”, tonicum voor het bloed, maar ook een detoxificator van het bloed, of als hulpmiddel voor een efficiënte bloedsomloop. Waarschijnlijk omdat zowel de wortels als de bladeren van bieten ijzer, kalium en foliumzuur bevatten. Het ijzer is belangrijk voor de hemoglobine dat het vervoer van zuurstof in het lichaam regelt. Het kalium, samen met andere mineralen en vitaminen, kan helpen om de bloeddruk en de hartslag te regelen. Foliumzuur heeft ook een positief effect bij bepaalde vormen van bloedarmoede. In dit opzicht is de biet een tonicum voor het bloed en het hart. Vroeger werd in de kruidenboeken de biet ook geadviseerd voor het behandelen van menstruatieproblemen. Culpeper stelt in zijn zeventiende-eeuwse “Herball”, dat “de rode biet goed is voor de menstruatiestroom, en de witte vloed”. De Angelsaksen gebruikten het sap uit de wortels van de Bèta vulgaris voor de behandeling van beenwonden, als braakmiddel, en bij de behandeling van andere wonden en beten. Culpeper merkt op dat het sap van de witte biet als balsem bij brandwonden dienst kan doen en het ook goed is voor alle vormen van blaren. De witte bietenbladeren genezen de blaasjes die ontstaan zijn door koude als deze op de blaasjes worden gelegd. Het grootste deel van de toepassingen op de huid die betrekking hebben op bietensap, vermeld door Culpeper en beschreven in andere kruidenboeken uit zijn tijd, worden niet meer vermeld in de moderne kruidenboeken. Er zijn momenteel efficiëntere behandelingen voor deze klachten. Hoewel je bietensap nog wel tegenkomt in de moderne literatuur als kruidenremedie om aambeien te verlichten. Hoewel de biet een tijdlang leek te zijn vergeten komt hij sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw weer terug in de belangstelling. De heropleving van de aandacht voor de biet heeft vooral te maken met zijn rol bij de behandeling van moderne ziekten zoals kanker.

Een middel voor kanker

In zijn boek “Plants Used Against Cancer”, verwijst Jonathan Hartwell al naar de Bèta vulgaris die voor het behandelen van diverse vormen van kanker wordt gebruikt. De biet werd hoofdzakelijk als afkooksel bereid en het sap van de wortel werd gedronken, hoewel sommige verwijzen naar een papje dat werd gebruikt. De behandelde klachten hadden te maken met de darmen, het hoofd, de botten, de genitaliën en het rectum, en omvatten longkanker, prostaatkanker, borstkanker en leukemie. Maar veel van deze rapporten zijn puur anekdotisch of van studies met slechts een klein aantal patiënten. Toch wordt de biet bij de behandeling van kanker in Europa al honderden jaren gebruikt. In het overzicht van Rosenberg (literatuuronderzoek) verwijst hij al naar J.F. Osiander van Göttingen (1826) die bieten bij de behandeling van tumors in de neus gebruikte. Binnen de moderne literatuur vinden we de bieten weer terug rond 1930. Twee Duitse artsen (Farberse en Schoenenberger) gebruikten bieten bij het behandelen van patiënten met kanker in 1929. In 1939 voerde een Hongaarse professor (Bakay) experimenten uit op patiënten met kanker, met inbegrip van leukemie, en constateerde verbeteringen van hun algemene conditie. Erdos, een Mexicaan die door Europa en Afrika reisde (1939), verzamelde anekdotisch bewijsmateriaal betreffende de bieten en kanker. Zo beschrijft hij de ontmoeting met een genezer in het Atlasgebergte, die aangaf dat hij kwaadaardige tumors succesvol behandelde met bieten. Erdos verwijst ook naar een ontmoeting met een genezer uit Joegoslavië die hem erop wees dat in gebieden waar grote hoeveelheden bieten worden gegeten, er geen fatale gevallen van kanker van de maag of de longen worden gemeld.

Het therapeutische gebruik van bieten bij de behandeling van kanker werd bekend door het werk van de Hongaarse arts Alexander Ferenczi in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Hij introduceerde een revolutionaire nieuwe behandeling van kanker door niets anders te gebruiken dan rauw bietensap. In zijn documenten meldde hij het opmerkelijke succes hiervan. Zijn patiënten hadden verschillende vormen van kanker. Zijn reputatie groeide en het bietensap werd een veel gebruikt middel. Zijn behandeling was gebaseerd op het gebruik van een liter bietensap per dag, gedurende minstens twee tot drie maanden.

Zeker is dat de claims van Ferenczi met betrekking tot de geneeskracht van bieten iets overdreven zijn. Zijn documenten die gedateerd zijn tussen1957 en 1961, zijn bijvoorbeeld gebaseerd op studies met slechts 16 tot 18 patiënten. Bovendien is de kwaliteit en de aard van het pigment uit de biet zeer onzeker in de jaren ’50. Hij dacht dat de rode kleur aan anthocyanen was toe te schrijven, waarmee hij ook een gelijkaardig effect aan rode wijn toeschreef, omdat het hetzelfde pigment bevat. Hoewel rode wijn wel anthocyanen bevat, is de rode kleur van bieten toe te schrijven aan bètacyaan, wat onmogelijk dezelfde fysiologische functie kan hebben. Het tij keerde toen Ferenczi op een medisch congres in 1979 bekritiseerd werd vanwege onvoldoende overtuigend bewijsmateriaal. Nu weten we dat dit niets zegt, omdat in andere artikelen uit Beyond Medicine gebleken is dat dergelijke nieuwe (goedkope) behandelingsvormen direct door de gevestigde orde worden verstoten.

Duidelijk is dat de biet verscheidene componenten bevat die de veronderstelde eigenschappen tegen kanker bevat, met inbegrip van alkaloïde allantoïne. In de jaren ’60 van de vorige eeuw werd aangetoond door Constantinescu, werkzaam in Roemenië, dat allantoïne een anti-tumor effect heeft. Er werd in verscheidene laboratoriumstudies, die in de jaren ’60 werden uitgevoerd, aangetoond dat bietenextract de zuurstofopname van geïsoleerde kankercellen normaliseert.

In de jaren ’90 werd door onderzoeken via kweekculturen en dierlijke studies, geleid door Edenharder et al. en Kapadia et al. bevestigd dat het bietensap significante tumorverminderende en antimutagene effecten had. In een review concludeerde Rosenberg dat het effect van bieten op kankercellen waarschijnlijk toe te schrijven is aan de gecombineerde effecten van betaïne, allantoïne, vitamine C en andere stoffen, zoals farnesol en rutine. Volgens uitlatingen van Ferenczi is de biet waarschijnlijk geen geneesmiddel voor kanker. En in 1988 besloot Weiss dat de biet volgens hem meer gezien moet worden als middel dat een versterkend effect heeft en de algemene gezondheid van de patiënt verbetert. Recent onderzoek naar bietensap en de relatie met kanker laat zien dat de biet zeker een belangrijke rol kan spelen binnen de kankerpreventie.

Een hoge opname van groenten en vruchten kan het risico om kanker en andere ziekten te ontwikkelen verminderen. De biet heeft een unieke chemische samenstelling (bijv. betaïne) en hoge niveaus belangrijke micronutriënten, die hem tot een waardevolle groente in het dieet maakt. Betaïne is bijvoorbeeld een belangrijke antioxidant. Net zoals bij de Romeinen, die ook al bietensap voor hun gezondheid dronken, zou vandaag de dag het dagelijks drinken van een glas bietensap -of het gebruik van capsules- één van de geadviseerde methodes moeten zijn om het risico om kanker te ontwikkelen te verminderen. Het sap van de bieten wordt door dr. Moerman in zijn voedingsadvies bij kanker sterk aanbevolen, naast wortelsap. Je komt het bij vasten en in diëten vaker tegen. Nieuw is de droge vorm, het bietenpoeder, dat op de markt wordt gebracht als voedsingssupplement om je tegen kanker en andere ziekten te beschermen. Het poeder in de capsules wordt gewonnen zonder de bieten aan hoge temperaturen te onderwerpen waardoor de kwaliteit van mineralen en vitaminen zouden degraderen.

Betaïne

In 2003 werd een aanvraag ingediend door de Novel Food Board (NFB) uit Finland om betaïne toe te laten op de Europese markt. Volgens hen was de belangrijkste conclusie dat er een duidelijk effect is van het gebruik van betaïne bij bepaalde patiënten. Men wijst erop dat betaïne een onderdeel is van de normale methyleringcyclus in het menselijk lichaam; het is een metaboliet van choline en fungeert als donor van een methylgroep. In de EU zijn sinds 1982 voedingsupplementen op de markt met betaïne in de vorm van het hydrochloride zout, met een dagelijks aanbevolen hoeveelheid variërend van 7 tot 324 mg. In 1996 is betaïne als weesgeneesmiddel ter behandeling van homocystinuria, een zeldzame stofwisselingsziekte, toegelaten in Amerika door de Food and Drug Administration (handelsnaam ’Cystadane’) en daarna is het ook in Canada en Australië geregistreerd.

Kiezen voor een specifiek product met betanine of een natuurlijk product met betanine is kiezen voor de rode biet. De rode biet kan 300-600 mg/kg bevatten. In de suikerbiet is deze concentratie lager. Laboratoriumstudies geven aan dat betanin een breed spectrum aan oxidatieve reacties teweegbrengt. Bijvoorbeeld lipideperoxidatie en de remming van de afbraak van heme in het bloed (komt als ijzerhoudende kleurstof voor in de rode bloedcellen), welke negatieve gevolgen heeft voor het lichaam. Betaxanthins (geel en oranje betalaïne pigment) hebben ook antiradicale activiteiten, hoewel in mindere mate dan betanine. Betanine wordt in de darm opgenomen, en er wordt onder normale omstandigheden zeer weinig van uitgescheiden. Het is een antioxidant met een bijzonder hoge biologische beschikbaarheid. Je hoeft dus niet veel biet te eten.

Verder is betanine een beproefde therapeutische reiniger, vooral van de nieren, en werkt het in op de methylatie van levercellen. Choline, een ander werkzaam bestanddeel van de rode biet, functioneert als een donor van methyl. Dit bevordert de regeneratie van levercellen en de conversie van triglyceriden in transportvetten. Omdat bij tumorcellen de omzetting van choline in betaïne gestoord is, zien veel auteurs daarin een belangrijke antitumorwerking. Ferenczi doet al sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw onderzoek naar de antitumorwerking van rode bieten. Uit onderzoek door Warburg is bekend dat de oxidatieve capaciteit in kankercellen is afgenomen en dat in plaats daarvan de gisting van melkzuur verhoogd is. Als eerste heeft Seeger aangetoond dat de verminderde oxidatie in de kankercellen veroorzaakt wordt door verstoring van de cytochroomoxidase (dysoxybiose volgens Seeger). Als gevolg daarvan wordt een normale cel een kankercel, omdat dit verstoorde proces de eigenlijke grondoorzaak is van het ontstaan van kwaadaardige celwoekering.

De verminderde oxidatie in de kankercellen is echter binnen bepaalde grenzen te reguleren en wel zodanig dat er sprake is van een zekere reversibiliteit. Seeger heeft vastgesteld dat het sap van rode bieten de verminderde oxidatie van de kankercellen beïnvloedt en dat het ontstekingsremmend werkt. Zo is er een middel Anthozym Petrasch dat met name de synergie gebruikt van de rode biet, de zwarte bes en het rechtsdraaiend melkzuur. Dit wordt met name in het Grosskrankenhaus te Wenen, in Oostenrijk, gebruikt, en met succes, ter ondersteuning van bestraling en chemotherapie.

De rode biet wordt in zijn algemeen gebruikt om ziekte te voorkomen door het immuunsysteem te ondersteunen. Wanneer het immuunsysteem door een ziekte wordt aangevallen, kan de biet een onderdeel vormen van een gezondheidbevorderend dieet en het lichaam helpen de ziekte te bestrijden.  Een bekende controverse deed zich voor in Zuid-Afrika, waar een dieetbenadering werd gebruikt bij de behandeling van HIV/AIDS, ten koste van antiretrovirale medicijnen. Hierbij vormde de biet ook een onderdeel. Het probleem deed zich voor in Zuid-Afrika in 1999, toen President Thabo Mbeki, van het African National Congress (ANC), weigerde om het verband tussen HIV en AIDS  te erkennen, waarmee indirect vraagtekens werden geplaatst bij de functie van dure antiretrovirale medicijnen. De Minister Manto Tshabalala Msimang van Gezondheid bepleitte een dieet, rijk aan bieten, citroensap, olijfolie, gember, knoflook, spinazie en Afrikaanse aardappels (rooperii Hypoxis  – niet echt een aardappel) voor mensen waarbij HIV was gediagnosticeerd. Dit was op zich een positief beleid, hoewel deze voedingsbenadering niet vergezeld ging van het gebruik van medicijnen. Deze dieetbenadering voor HIV-patiënten werd wereldwijd bekritiseerd, omdat het in plaats van een goed medicijn werd voorgeschreven. De bieten werden hierdoor in één adem genoemd met een falend beleid. Heel jammer natuurlijk, want juist een combinatie van medicijnen enerzijds en een holistische benadering anderzijds, bijvoorbeeld een dieet, zou beschikbaar moeten zijn om deze vreselijke ziekte te bestrijden. Als een antiretroviraal medicijn naast een gebrek aan een gezond dieet wordt gegeven, kan dat een averechts effect op het lichaam hebben. Terwijl een goede voeding en de juiste medicijnen elkaar kunnen complementeren. Juist de biet is een voedzame groente en een ideaal onderdeel van een gezond dieet. In Groot-Brittannië geldt het advies om dagelijks minstens vijf stuks/eenheden fruit en groenten te gebruiken. Het specifieke advies hierbij zou volgens sommige voedingsdeskundigen moeten zijn dat het fruit en de groenten uit verschillende kleuren zouden moeten bestaan. Bijvoorbeeld “rood, oranje, groen”. In termen van groenten, zouden dit bijvoorbeeld (rode) bieten, (oranje) wortelen en (groene) spinazie kunnen zijn. Dit heeft voornamelijk te maken met de belangrijke rol die plantpigmenten kunnen spelen bij de preventie van ziekten. Pas de laatste jaren wordt er meer onderzoek gedaan naar de functie van pigmenten.

De biet is een rijke bron aan koolhydraten, een goede bron van proteïne, en heeft hoge gehaltes belangrijke vitaminen, mineralen en micronutriënten. Het is een goede bron in een vezelvrij dieet, heeft praktisch geen vet, en geen cholesterol. Dit zorgt ervoor dat bieten weinig calorieën bevatten. Een kleine biet van 40 gram bevat rond de 1,6 gram aan dieetvezel en 75kJ aan energie.

De biet is een goede bron van mineralen. Welke en hoeveel mineralen we uit bieten kunnen halen is, volgens McCance en Widdowson, afhankelijk van hoe men een biet gebruikt. Vergelijk je de rauwe biet met gekookte bieten, dan zien we dat rauwe bieten 66 gram natrium (Na) en 380 gram kalium (K), bevatten, en gekookte bieten 110 gram natrium (Na) en 510 gram kalium (K). De gekookte biet is bijzonder rijk aan kalium. De hoeveelheid ijzer is vergelijkbaar met andere groenten. Wat wel hoog is vergeleken met de meeste andere groenten, is foliumzuur. McCance en Widdowson vonden respectievelijk 150mg en 110mg foliumzuur per 100g in rauwe en gekookte bieten. De rauwe en gekookte bieten hebben respectievelijk  20mg en 27mg  caroteen, en 5mg vitamine C per 100g. Pantothenaat varieert tussen de 0,12mg en 0,10mg per 100 gram bieten. Verder bevat 100 gram bieten: vitamine B6 (0,03-0,04mg), thiamine (0,01-0,02mg), riboflavine (0,01-0.03mg), en niacine (nicotinezuur) (0,1mg).  Behalve veel mineralen bevat de rode biet veertien aminozuren, waaronder glutamine en asparagine, evenals 7-methylxantine dat een vochtuitdrijvende werking bezit en dat erg op theofyline lijkt. Al met al blijkt de biet dus een zeer waardevol product te zijn, die het zeker verdient een belangrijke plaats in ons voedingspatroon in te nemen.

© Ed van der Post

DELEN