Nieuwe visie op MS en de stof x

DELEN

Multiple Screlose is de meest voorkomende neurologische aandoening onder jongvolwassenen. Het vóórkomen van de ziekte heeft enkele kenmerken. Epidemiologisch onderzoek heeft uitgewezen dat MS vaker voorkomt in landen met een koel klimaat. Dat wil zeggen dat naarmate de breedtegraad toeneemt, ook de prevalentie van MS toeneemt. Dus in warme landen zoals aan de Middellandse zee en dicht bij de evenaar wordt er zelden MS waargenomen. Welke associaties op het gebied van voeding en voedingsgewoontes kunnen we trekken en welke veronderstellingen kunnen we maken?

Is neureguline de stof x met de groei-factor? Is squalene in olijfolie, palm-en kokosolie een agonist en ligand als neureguline die wij bij MS kunnen gebruiken?! Vrouwen hebben meer kans om MS te krijgen. Van iedere vijf MS-patiënten zijn er drie vrouwen en twee mannen. De ziekte wordt meestal ontdekt tussen het twintigste en veertigste levensjaar. Wereldwijd zijn er 2,5 miljoen personen die aan de ziekte lijden. In Nederland lijden nu 16.000 personen aan MS, althans die officieel geregistreerd zijn.

MS een ziekte met een grillig, onvoorspelbaar verloop.

Multiple sclerose (MS) is een ziekte van het centrale zenuwstelsel die kan leiden tot zeer uiteenlopende klachten. Bij sommige mensen gaan de klachten op en neer, bij anderen nemen de klachten langzaam toe. Het is moeilijk om MS in een paar woorden te karakteriseren omdat de ziekte zo onvoorspelbaar is.

Het ziektebeeld is zeer grillig, omdat we in de meeste gevallen niet weten waar en wanneer de ontstekingen bij MS kunnen ontstaan. Perioden van terugval (regressie) zoals bij schub of exacerbatie worden vaak afgewisseld met perioden van herstel (remissie). Het onvoorspelbare verloop wordt door bijna iedere MS-patiënt als bedreigend ervaren.

Fout in het immuunsysteem

Bij MS ontstaan ontstekingen en beschadigingen in hersenen en ruggenmerg. Oorzaak is een fout in het immuunsysteem. Normaal richt dit systeem zich tegen virussen en bacteriën. Een reactie tegen het eigen lichaam is uit den boze. Echter, bij MS gaat de afweer in de fout: het onderscheid tussen “lichaamseigen” en “lichaamsvreemd” wordt niet goed gemaakt. Gevolg is een reactie tegen het eigen zenuwstelsel (de auto-immuun reactie). Doelwit zijn de zenuwcellen, maar vooral de isolatielaag eromheen. Deze isolatielaag bestaat uit myeline en lipiden en zorgt ervoor dat de zenuwvezels de elektrische signalen zeer snel doorgeven. Alleen zo kan de mens lichamelijk en geestelijk goed functioneren. De foute afweerreacties gaan gepaard met ontstekingen en leiden tot onherstelbare schade aan zenuwvezels en myeline. MS is een chronische auto-immuun ziekte\ aandoening van het centraal zenuwstelsel (CZS), waarbij oligodendrocyten langzaam verslechteren en daardoor de myelineschede (het myeline, de zogenaamde witte stof) rond zenuwbanen geleidelijk wordt vernietigd. Dit proces vindt plaats in verschillende (multiple) gebieden van het CZS. We kunnen veronderstellen dat bij auto-immuunziekten interne factoren, zoals genetische, hormonale en afwijkingen in metabolisme en synthese en omgevingsfactoren, zoals ziekteverwekkers als virussen en bacteriën, psychische gesteldheid, bijwerking geneesmiddelen en vooral verkeerde voeding, een rol spelen bij het ontwikkelen van MS.

T-killercellen bij MS

Het humorale afweersysteem neemt een zeer belangrijke plaats in bij het functioneren van ons lichaam. Het beschermt ons namelijk tegen aanvallen van bacteriën, virussen, parasieten (antigenen), het voorkomt allergieën, verwijdert ongewenste, onverteerbare voedselresten en ruimt kankercellen op. Ons immuunsysteem biedt een natuurlijke bescherming tegen antigenen (lichaamsvijandige eiwitten) door antistoffen te maken.

Cellen met ongewenste receptoren kunnen worden gekoppeld aan bepaalde eiwitten tot zogenaamde immuuncomplexen. Dit zijn antigenen die ons lichaam zélf aanmaakt. Ze kunnen T-cellen activeren en zo een auto-immuunziekte doen ontstaan. T-cellen kunnen ná een virale- of bacteriële infectie gaan reageren op een bepaald auto-antigeen dat ze vóór het doormaken van die infectie steeds hebben genegeerd.

Zenuwcellen en groeifactoren

Eén hypothese is dat in MS een tekort aan groeifactoren een rol kan spelen in de pathogenese. Verschillende typen dierexperimenten hebben aangetoond dat IGF-I de differentiatie en de synthese van myeline stimuleert in oligodendrocyten en motoneuronen en beschermt tegen apoptose. Zenuwcellen zijn verantwoordelijk voor de signaaloverdracht van en naar de hersenen. De gliacellen en zenuwbanen zijn omgeven doormyeline. Gliacellen spelen een belangrijke rol bij de ondersteuning van zenuwcellen en kunnen onderverdeeld worden in astrocyten, oligodendrocyten, microglia en ependymcellen. Astrocyten spelen een rol in de homeostase en in de uitwisseling van substanties tussen bloedbaan en neuronen, hebben een nutritionele en trofische werking op neuronen, en reguleren de werking van sommige neurotransmitters. Oligodendrocyten vormen de myelineschede rond de zenuwuitlopers (axonen). Myeline speelt een belangrijke rol in de signaalgeleiding van zenuwcellen in het CZS. Microglia zijn de immuuncellen van het CZS die een belangrijke rol spelen in het afweermechanisme.

Zenuwcellen hebben groeifactoren nodig om te overleven, om hun specifieke signaalfuncties te vervullen, om zich te beschermen tegen geprogrammeerde celdood (apoptose) en toxische invloeden van buitenaf. Een grote groep groeifactoren zijn momenteel gekend die deze eigenschappen hebben. Tot deze groep behoren de (Insulin-like growth factors (IGFs). Zij zijn een onderdeel van een complex systeem, namelijk het IGF-systeem. Dit systeem bestaat uit twee verschillende groeifactoren: IGF-I en IGF-II, twee typen receptoren en zes IGF bindingsproteïnen (IGFBPs). Bindingsproteïnen kunnen de groeifactor effecten verminderen en zelfs remmen (inhiberen) of versterken (stimuleren).

Regelaar van myeline-productie in het zenuwstelsel ontdekt!

Wetenschappers van het Max Planck Instituut uit Duitsland hebben een moleculaire groeifactor ontdekt die de aanmaak van myeline rond zenuwcellen stuurt. De ontdekking van deze groeifactor kan van wezenlijk belang zijn voor de ontwikkeling van therapieën voor Multiple Sclerose patiënten.

De omhulling van zenuwvezels door de zogenaamde myeline-schede is in ons centraal zenuwstelsel essentieel voor de snelle en accurate voortgeleiding van zenuwimpulsen van de hersenen naar de rest van het lichaam of andersom. Door de aanwezigheid van een myelineschede rondom de zenuwvezels vindt informatie-overdracht in het centrale zenuwstelsel snel en volledig plaats. In een gezond lichaam geldt dat hoe dikker de myelineschede, hoe sterker de zenuwvezel is.

Sinds jaar en dag vraagt men zich in wetenschappelijke kringen af hoe de cellen “weten” wanneer ze te maken hebben met een dikke of een dunne zenuwvezel, en of ze deze met een dikke of met een dunne laag myeline moeten omwikkelen.

Een wetenschappelijk onderzoeks-team onder leiding van Prof. Klaus Armin Nave van het Max Planck Instituut voor experimentele geneeskunde te Munchen, Duitsland heeft onlangs bij muizen ontdekt dat dit verband tussen de myelineschede en de zenuwvezel wordt gereguleerd door een groeifactor met de naam axonale neuroreguline I. Uit het onderzoek blijkt dat hoe meer signalen door deze axonale neuroreguline I worden uitgeoefend op het oppervlakte van de zenuwcellen, hoe meer de cellen groeien die de myeline als beschermingslaag om de zenuwvezels bouwen. De onderzoekers vermoeden dat zich in het centraal zenuwstelsel een vergelijkbaar signaleringssysteem tussen axonen (zenuwuitlopers) en bindweefselcellen ontwikkeld heeft, dat de myeline-aangroei stuurt.

Neureguline-receptoren geven via de neureguline, de oligodendrocyten de opdracht om myeline aan te maken. De ontdekking van deze groeifactor is van wezenlijk belang voor een beter begrip van lichaamseigen reparatieprocessen, in het bijzonder voor een demyeliniserende ziekte zoals Multiple Sclerose. Wel mag het onderzoek als een doorbraak worden beschouwd in het onderzoek naar processen die de remyelinisatie en daarmee het herstel van zenuwweefsel bij MS-patiënten bevorderen.

Dit is een belangrijke ontdekking omdat de ontdekte groeifactor een sleutelrol vervult bij het ontstaan en in stand houden van de myelinelaag. Vervolgonderzoek moet er toe leiden deze ontdekking om te zetten in een daadwerkelijke behandeling. Daartoe zou men de groeifactor  zelf kunnen toedienen of stoffen die de aanmaak ervan door het eigen lichaam bevorderen. Een agonist en ligands (=organische moleculen met een hoog moleculair gewicht met een sterke adhesie) van deze groeifactor neureguline is ook squaleen/squalene.

Aanmaak van de myelineschede en oligodendrocyten

Oligodendrocyten zijn de cellen die in het centrale zenuwstelsel een uniek type celmembraan maken, de myelineschede. Deze cellen vormen een groot aantal uitlopers, die als ze een axon vinden zichzelf daar een aantal malen strak omheen wikkelen. Nadat dit wikkelproces is voltooid, is er een ‘hoesje’ om het axon ontstaan, de myelineschede.

Myeline is een vetachtige stof die in de vorm van myeline of mergschede de neuriet isolerend omhult. Deze schede wordt omkleed door het neurilemma (schede van Schwann). De myelineschede speelt een belangrijke rol bij de impulsgeleiding in de axon. De mergschede ontstaat op opmerkelijke wijze. Langs de embryonale zenuwvezel liggen – bij zenuwvezels van het perifeer zenuwstelsel– als een parelsnoer cellen van Schwann, die de vezel als het ware omhullen.

De inwendige plooi van de celmembraan van de cel van Schwann, waarbinnen de zenuwvezel is gelegen, gaat enkele tientallen keren roteren, waardoor een rol van celmembranen om de vezel wordt gevormd. Elke rol vormt een segment van de mergschede. De segmenten grenzen aan elkaar, door een insnoering van Ranvier gescheiden. Bij elk segment hoort nog een schede van Schwann, het buiten de mergschede gelegen, tot cilindrische membraan vervormde cytoplasma met kern van de cel van Schwann, die het gehele mergschedesegment blijvend omsluit.

Deze schede heeft een zeer belangrijke functie: zij is een soort isolatieband dat het axon electrisch isoleert. Zonder deze isolerende laag om de axonen neemt de efficiëntie van het doorgeven van zenuwsignalen drastisch af en lopen de signalen van ieder axon in een zenuwbundel ongelijk. Dit is wat er aan de hand is als er ‘demyelinisatie’, dat wil zeggen, afbraak van het myeline, is opgetreden, zoals dat ook bij mensen met MS voorkomt. De myelineschede is niet zo maar een membraan, zij heeft een unieke samenstelling. In myeline bevindt zich een aantal eiwitten en vetachtige moleculen of lipiden. Zeker een zestal van deze eiwitten, de zogenoemde myeline-eiwitten, zijn specifiek.

Samenstelling myelineschede

Myeline wordt geproduceerd en onderhouden door oligodendrocyten. Myeline is voor 70% samengesteld uit lipiden en een aantal specifieke proteïnen, waarvan 70 tot 80% de membraan proteïnen (myelin basic protein) (MBP) en myeline proteolipide proteïne (PLP) zijn. PLP staat ook bekend als lipophiline. Zonder deze belangrijkste eiwitten PLP, MBP en MAG kan er geen functionele myeline-schede bestaan, wat ook het geval is voor GC en sGC, twee van de myeline-lipiden. Een andere proteolipide, DM-20, een verkorte isoform van PLP, wordt in kleinere hoeveelheden in de myelineschede gevonden.

Enkele lipiden die men verder in de myeline aantreft zijn: Schwann cell myelin protein (SMP), Myelin/ ligodendrocyte glycoprotein (MOG), Oligodendrocyte-myelin glycoprotein (OMgp), Myelin vesicular protein (MVP17; Myelin and Lymphocyte protein (MAL)) en Fatty acid: Oleic acid [C18:1 (n-9).

Deze myeline-eiwitten komen dus nergens anders in het lichaam voor dan in de myelineschede. De myeline bestaat uit 5 tot 13 layers (lagen). Ieder eiwit heeft zijn eigen gen, een stuk DNA in de celkern dat de code voor de samenstelling van dat eiwit in zich draagt. In die kern wordt vanaf het eiwitgen eerst een messenger (boodschapper) RNA molecuul overgeschreven dat vervolgens uit de kern vertrekt en elders in de cel wordt vertaald tot het juiste eiwit. De meeste eiwitten komen daarna terecht in een veellagig systeem van membranen, het Golgi-apparaat.

Het Golgi-apparaat, of kortweg Golgi, is binnen de cel een soort sorteerstation voor eiwitten, en ook voor lipiden. De oligodendrocyt maakt enorm veel eiwitten, veel meer dan welk ander celtype in ons lichaam ook, en om die reden zit er heel veel Golgi in de oligodendrocyt. Vanuit het Golgi gaat het eiwit op weg naar zijn bestemming. Voor een myeline-eiwit betekent dat een tocht helemaal door de uitlopers, en dan nog daar voorbij naar de myeline-chede of de sheet.

Relatie incidentie MS en voeding

Er is een zeer duidelijk verband door diverse wetenschappers gelegd: hoe hoger de breedtegraad  (dus meer koude regionen), hoe hoger de prevalentie van MS. De relatie kunnen we enerzijds verklaren in de leefomstandigheden en anderzijds in het voedingspatroon van de bewoners. Epidemiologisch onderzoek heeft duidelijk uitgewezen dat de voeding een voorname rol speelt bij de incidentie van MS.

Basisvoedingsstof in de ‘warme’ landen is kokos- en palmolie in de tropen, en olijfolie in de Mediterrane regionen, terwijl daar veel minder dierlijke verzadigde vetten worden geconsumeerd dan de westerse landen. Vanaf jongs af aan worden kinderen en zelfs baby’s letterlijk en figuurlijk met de paplepel vol met deze tropische en sub-tropische oliën gegoten. Terwijl de kinderen in de westerse landen dagelijks met boter, margarine en andere melkproducten worden volgepropt.

Opmerkelijk is dat deze olijf-, palm- en kokosoliën squalene bevatten, weliswaar in kleine hoeveelheden (0,4-0,8%). Maar door het dagelijks gebruik krijgt men toch voldoende squalene binnen om van de voordelen van de eigenschappen van squalene te kunnen profiteren. Twee vooraanstaande wetenschappers op dit gebied, Theresa J. Smith en Harold L. Newmark, suggereren dat dit beschermende effect is te danken aan de hoeveelheid squalene.

Diverse vetzuren uit onze voeding worden gebruikt om prostaglandines aan te maken. Prostaglandines zijn hormoonachtige stoffen die de stofwisseling in het lichaam regelen. Onverzadigde vetzuren, onder andere uit vette vis, noten, zaden en koudgeperste oliën, bevorderen de aanmaak van ontstekingsremmende, afweerondersteunende prostaglandines.

Westerse voeding levert in het algemeen onvoldoende onverzadigde vetzuren en te veel verzadigde vetzuren, want westerse voeding is vol van vet vlees, snacks, margarine en kaas.

Bovendien worden er in de westerse voeding veel meer (te veel) melkproducten geconsumeerd dan in de ‘warme’ landen, hetgeen tot uiting kan komen in meer verslijmingen en ontstekingen van lichaamsdelen dat indirect heeft bijdragen in meer incidentie van MS.

Uit onderzoek is verder gebleken dat het zenuwstelsel van MS-patiënten specifiek een tekort aan essentiële vetzuren vertoont. Verzadigde vetten en ook alcohol, geraffineerde suikers, kunstmatige hulpstoffen, de zogenoemde E-nummers en stress bevorderen de aanmaak van ontstekingsbevorderende, afweerremmende prostaglandines. Het beperken van deze producten is daarom aan te bevelen. Uit recente onderzoeken en ervaringen uit de orthomoleculaire praktijk blijkt echter dat voeding een belangrijke rol kan spelen bij het ziekteverloop van MS.

Een volwaardige voeding met extra aandacht voor ondersteuning van het afweersysteem, de ontgifting, de vetzuurstofwisseling, de spijsvertering en de vitamines en mineralenbalans levert een belangrijke bijdrage in de therapie van MS. Toevoeging in de vorm van oliecapsules, zoals squalene, visolie of lijnzaadolie, blijkt met name in het beginstadium van MS gunstige resultaten te hebben.

Squalene is een lichaamseigen stof die wij in ons lichaam zelf produceren, weliswaar in kleine hoeveelheid, maar onmisbaar voor ons lichaam. Squalene speelt een voorname en essentiële rol in de chemische processen in ons lichaam met name bij biochemische lipidsynthese oftewel vetzuur\cholesterol synthese om het menselijk lichaam gezond te houden. Squalene is qua structuur C30 H50 (C30:6n-omega2) een Omega 2 met 6 dubbele banden en het betekent dus een sterke anti-oxidant en speelt een grote rol als transporteur van zuurstof, ontgifter van de lever en werkt dus bloedzuiverend. Op moleculair niveau heeft Squalene de functie van een katalysator bij het hervormen en herstellen van myelineschede en bezit een soort groeifactor om de zwakke myeline op te bouwen. Squalene zorgt er o.a voor dat de myeline sterk en krachtig blijft en voorkomt auto-immuunreactie van de myeline-scheden en oligodendrocyten. Het voorkomt demyelinisatie door haar ontstekingsremmende en ontstekingswerende werking en werkt bovendien immunomodulerend waardoor ontstekingen aan dit gevoelige deel van ons zenuwsysteem voorkomen kunnen worden.

MS is een chronische ziekte en is volgens de meeste reguliere specialisten nog niet te genezen. Gelukkig zijn er wel mogelijkheden en alternatieven om de ziekte af te remmen, een aanval stop te zetten of voor bestrijding van de klachten. We onderscheiden behandelingen met medicijnen en andere vormen van behandeling zoals fysiotherapie, diëtitiek, ergotherapie, psychotherapie en of orthomoleculaire geneeskunde. Squalene en andere meervoudig onverzadigde verzuren kan dus bij MS ingezet worden, maar verwacht geen wonderen wanneer MS al te lang en te ver gevorderd is. Vanwege de grilligheid en de diversiteit van het ziektebeeld is er geen standaardbehandeling.

© Ed van der Post

Literatuur

  • Axonal neuregulin-1 regulates myelin sheath thickness.Galin V. Michailov, e.a. Science, 26 maart 2004.
  • Isoform-specific expression and function of neuregulin. Dirk Meyer, Tomoichiro Yamaai, Alister Garett et al. Development Biologists limited 1997.
  • Neuregulin, a factor with many functions in the life of a Schwann cell. Alistair N. Garett, Stefan Britsch and Carmen Birchmeier. Bioessays 22. 987-996. 2000
  • Neuregulin Signaling Regulates Neural Precursor Growth and the Generation of Oligodendrocytes In Vitro. Viviane Calaora, Bernard Rogister, Keren Bismuth et al. Society for Neuroscience 2001.
  • Strandberg TE, Tilvis RS, Miettinen TA. Metabolic variables of cholesterol during squalene feeding in humans: comparison with cholestyramine treatment. J Lipid Res 1990;31:1637-1643.
  • Smith TJ. Squaleen: potential chemopreventive agent. Expert.Opin.Investig.Drugs 2000;9:1841-8.
  • Gylling H, Miettinen TA. Postabsorptive metabolism of dietary squaleen. Atheroscler. 1994;106:169-78.
  • Kohno Y, Egawa Y, Itoh S, et al. Kinetic study of quenching reaction of singlet oxygen and scavenging reaction of free radical by squalene in n-butanol. Biochim Biophys Acta 1995;1256:52-56.
  • Rao CV, Newmark HL, Reddy BS. Chemopreventive effect of squalene on colon cancer. Carcinogenesis 1998;19:287-290.
  • Neil Solomons MD.Ph.D. and Richard Passwater, Ph.D. ‘The Healer Shark’, 1998
  • Dr. William Lane Comac, ‘Sharks don’t Get Cancer’, 1992. “ Shark still don’t have Cancer’, 1996
  • Takashi Yokota M.D., ‘The Miracle of Squalene (Cures Cancer & Modern Diseases)’
  • Dr. Bikul Das. The Science behind Squalene. The Human Antioxidant. 2000. Toronto Canada
  • Martin-Moreno JM, Willett WC, Gorgojo L et al. Dietary fat, olive oil intake and breast cancer risk. Int.J Cancer 1994;58:
DELEN