EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing )

DELEN

Samenvatting

EMDR is een relatief nieuwe therapie. Een eerste versie van EMDR werd in 1989 beschreven door de ontwikkelaarster ervan, de Amerikaanse psychologe Francine Shapiro. In de jaren daarna werd deze procedure verder uitgewerkt en ontwikkelde EMDR zich tot een volwaardige therapeutische methode.

Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) is een relatief nieuwe, geprotocolleerde methode voor de behandeling van psychotrauma. EMDR is niet afkomstig uit één van de klassieke psychologische scholen, maar bevat wel een groot aantal elementen die ook in andere methoden zijn terug te vinden. Het meest opvallende verschil is echter dat bij EMDR de cliënt wordt verzocht een akelige herinnering op te roepen en vervolgens met de ogen de vingers van de therapeut te volgen. Tegelijkertijd beweegt deze zijn hand op ritmische wijze voor het gezicht van de cliënt langs heen en weer. Na de eerste versie van EMDR werd in de jaren daarna deze procedure verder uitgewerkt en evolueerde het tot een volwaardige therapeutische methode met protocollen voor verschillende vormen van traumagerelateerde psychopathologie (zie Shapiro, 1995; De Jongh e.a., 1998). Aanvankelijk was er veel kritiek, met name wat betreft de verspreiding van EMDR zonder dat de werkzaamheid ervan voldoende zou zijn aangetoond. Deze situatie heeft zich de afgelopen jaren langzamerhand gewijzigd ten gunste van EMDR. Dit is onder andere het gevolg van de toegenomen kwaliteit van het onderzoek en het feit dat inmiddels het aantal gecontroleerde effectstudies naar de werkzaamheid van EMDR bij PTSS dat van andere psychotherapeutische methoden ruimschoots overtreft . Op grond van de brede empirische ondersteuning voor EMDR als behandelmethode voor PTSS werd EMDR door de American Psychological Association op de lijst van ‘empirically validated methods’ geplaatst en, evenals imaginaire exposure en Stress Inoculation Training (SIT), als ‘probably efficacious’ bestempeld.

EMDR

Bepaalde gebeurtenissen kunnen diep ingrijpen in het leven van mensen. Een groot deel van de mensen ‘verwerkt’ deze ervaringen op eigen kracht. Bij anderen ontwikkelen zich psychische klachten. Hierbij gaat het vooral om zich opdringende herinneringen aan de traumatische gebeurtenis, waaronder angstwekkende beelden (herbelevingen; ‘flashbacks’) en nachtmerries. Men spreekt dan van een post traumatische stress-stoornis (PTSS). EMDR is bedoeld voor de behandeling van mensen met PTSS en andere traumagerelateerde angstklachten. Maar ook klachten als verhoogde arousal, stress, schaamte of schuldgevoel, depressie, angsten, slaap –relatieproblemen, etc.  Voorwaarde is dat deze klachten zijn ontstaan als direct gevolg van een concrete, akelige gebeurtenis en waarbij het denken aan deze gebeurtenis nog steeds een emotionele reactie oproept. EMDR is een kortdurende, precies omschreven procedure, waarbij links-rechts oogbewegingen worden uitgelokt bij de cliënt, terwijl het trauma en de daarbij behorende cognities, emoties en sensaties actief worden herbeleefd. EMDR werd in dit onderzoek vooral gebruikt om het negatieve effect van het verkeerstrauma en de gevolgen van de whiplash te verwerken door het uitlokken van oogbewegingen gekoppeld aan het terughalen van de belastende beelden, cognities en sensaties. De procedure omvat 8 stappen, die deel uitmaken van 4 opeenvolgende fasen, namelijk:

  • uitleg en voorbereiding;
  • identificeren van de herinneringen en de daarmee geassocieerde negatieve cognities en somatische reacties;
  • desensitisatie via oogbewegingen en;
  • afsluiting

De therapeut verzoekt de cliënt om de aandacht te richten op het meest bedreigende beeld van de episode, en daaruit een enkel beeld te isoleren. Tevens wordt de cliënt uitgenodigd om een negatieve cognitie te formuleren over haarzelf die het beste bij dit beeld past, (bijvoorbeeld ik ben hulpeloos, ik ben slecht) en wat zij nu of in de toekomst zou willen denken over zichzelf wanneer zij de gebeurtenis weer voor de geest haalt (positieve cognitie). Eveneens wordt vastgesteld hoe “waar” deze uitspraak wordt beoordeeld op een schaal van 1 (volledig onwaar) tot 7 (volledig waar), de zogenaamde VOC-meting (Validity of Cognition). Nagegaan wordt welke emoties de gebeurtenis met de negatieve cognitie teweegbrengt bij de cliënt. Vervolgens verzoekt de therapeut de cliënt om in te schatten in welke mate dit beeld haar raakt op een schaal van 0 (geen spanning) tot 10 (zeer veel spanning), de zogenaamde SUD-registratie (Subjective Units of Disturbance). Tevens wordt gevraagd waar men dit in het lichaam voelt, bijvoorbeeld in de nek of het hoofd. Tenslotte vraagt de therapeut de cliënt aan te geven wat er tijdens de oogbewegingen in haar opkomt en om feedback te geven op wat er gebeurt. De sets oogbewegingen zullen er langzamerhand toe leiden dat de herinnering haar kracht en emotionele lading verliest. Het wordt dus steeds gemakkelijker aan de oorspronkelijke gebeurtenis terug te denken. In veel gevallen veranderen ook de herinneringsbeelden zelf en worden ze bijvoorbeeld waziger of kleiner. Maar het kan ook zijn dat minder onprettige aspecten van dezelfde situatie naar voren komen. Een andere mogelijkheid is dat er spontaan nieuwe gedachten of inzichten ontstaan die een andere, minder bedreigende, betekenis aan de gebeurtenis geven. Deze effecten dragen ertoe bij dat de schokkende ervaring steeds meer een plek krijgt in de levensgeschiedenis van de persoon.

Het proces vangt aan met het visualiseren van het traumatische beeld, het laten herhalen van de negatieve cognitie èn het reactiveren van de fysieke sensatie. Vervolgens wordt de cliënt verzocht om de hand van de therapeut te volgen, die snel en ritmisch horizontaal, op ooghoogte, heen en weer beweegt op ongeveer 30 cm afstand van het gezicht van de cliënt. De afstand die de hand aflegt is tenminste 30 cm. Dit herhaalt zich 12 tot maximaal 80 keer per set, in een zo hoog mogelijk tempo, met afwisselende snelheden. Na een aantal sets wordt de cliënt verzocht te rapporteren wat er bij hem/haar opkomt, en zich daar vervolgens op te concentreren. De therapeut repeteert met regelmaat: “volg mijn hand.., goed zo….., prima..”. Tussen de oogbewegingen door vraagt de therapeut: “wat komt er nu bij je op?” of “wat gebeurt er bij je?”. Indien de cliënt een nieuw beeld ervaart wordt eerst deze informatie verwerkt met oogbewegingen, om daarna weer terug te keren naar de oorspronkelijke herinnering. Wanneer de spanning gedaald is tot een 0 of een 1 vraagt de therapeut of de positieve cognitie nog steeds geschikt is of dat de cliënt een andere positieve overtuiging over haar/hem zelf beter vindt passen wanneer hij/zij denkt aan de oorspronkelijke gebeurtenis. De oogbewegingen worden net zolang uitgelokt totdat een geloofwaardigheid-niveau van een 6 of een 7 bij de gewenste cognitie bereikt is. Vervolgens sluit de cliënt de ogen, denkt dan opnieuw aan de gebeurtenis en roept  tegelijk de positieve gedachte op. En loopt dan in gedachten het lichaam af, en checkt of er ergens nog spanning is (body scan). Zodra de spanning in het lichaam ervaren wordt het desensitiseren doorgezet (en concentreert zich dan op de lichamelijke sensatie) net zolang tot deze spanning verdwenen is.

De therapeut bereidt de cliënt voor op wat er na de sessie kan gebeuren en vertelt dan dat zij/hij misschien beelden, emoties, inzichten, gedachten en dromen kan krijgen. Zij vraagt de cliënt dit op te schrijven voor de volgende EMDR sessie.

Kenmerk van EMDR is dat herbelevingen worden geïnduceerd. In alle sessies bleken die herbelevingen gepaard te gaan met het innemen van een verkrampte lichaamshouding. Die verkrampingen dragen bij aan het in stand houden en versterken van een stijve nek, en nek- en hoofdpijn-klachten. Hoe EMDR precies werkt is nog onduidelijk. Een mogelijke verklaring voor de effecten van EMDR is dat de procedure leidt tot versnelde informatieverwerking. Denkbaar is dat combinatie van het sterk denken aan de traumatische gebeurtenis en de aandacht voor de afleidende stimulus er voor zorgt dat het natuurlijk verwerkingssysteem wordt gestimuleerd. Toekomstig onderzoek zal uit moeten maken hoe de waargenomen effecten het best kunnen worden verklaard.

Een overzicht van de meest voorkomende klachten die behandeld worden zijn:

  1. Auto-ongeval
  2. Mishandeling
  3. Misbruik
  4. Ongeval, verwonding of
  5. ziekte
  6. Brand
  7. Overval
  8. Verkrachting of aanranding
  9. Verlies van een baan
  10. Natuurramp
  11. Ongeval of verwonding van geliefde
  12. Getuige van geweld
  13. Verlies van een geliefde

Referenties

-Acierno, R., & Cahill, S.P. (1999). EMDR: Commentary, data, protocol specification. Journal of Anxiety Disorders, 13, 1 – 2, 1- 3.

-Andrade, J., Kavanagh, D., & Baddeley, A. (1997). Eye-movements and visual imagery: a working memory approach to the treatment of post-traumatic stress disorder. British Journal of Clinical Psychology, 36, 209 – 223

-Arrindell, W., & Ettema J. (1986). SCL 90. Handleiding bij een multidimensionele psychopathologie-indicator. Lisse: Swets & Zeitlinger.

-Atchison, M., & McFarlane, A. (1997). Clinical patterns of acute response to trauma. In: Mitchell, M. (Ed.). The Aftermath of Road Accidents (pp. 49 – 59). London, New York: Routledge.

-Beetstra, J. (1998). Nederlander is bang voor het leven. Student, 35, 1 – 3.

-Blanchard, E. B., & Hickling, E. J. (1997). After the Crash. Assessment and Treatment of Motor Vehicle Survivors. Washington, DC: American Psychological Association.

-Brewin, C.R., Dalgleish, T., & Joseph, S. (1996). A dual representation theory of PTSD. Psychological Review, 103, 4, 670 – 686.

-Brom, D., Kleber, R.J. (1985). De Schok Verwerkings Lijst. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 40, 164-168.

-Brom, D., Kleber, R.J., and Hofman, M.C. (1993). Victims of traffic accidents: Incidence and prevention of post-traumatic stress disorder. Journal of Clinical Psychology 49, 2, 131-140.

-Broos, P., & Stoffelen, D. (1992). Het Whiplash Syndroom. In: Anonymous. Verslaggeving Whiplash-Congres. Maarssen: NSWP.

-Bryant, R.A., & Harvey, A.G. (1996). Initial posttraumatic stress responses following motor vehicle accidents. Journal of Traumatic Stress, 9, 223 – 234.

-Cahill, S.P, Carrigan, M.H., & Frueh, B.C. (1999). Does EMDR work? And if so why?: A critical review of controlled outcome and dismantling research. Journal of Anxiety Disorders, 13, 1-2, 35 – 67.

-Di Stefano, G. & Radanov, B. (1995). Course of attention and memory after common whiplash: a two-years prospective study with age, education and gender pair-matched patients. Acta Neurologica Scandivica, 91, 346 – 352.

Ettlin, T.M., Kischka, U., Reichmann, S., Radii, E.E., Heim, S., Wengen, D., & Benson, D.F. (1992). Cerebral symptoms after whiplash injury of the neck: a prospective clinical and neuropsychological study of whiplash injury. Journal of Neurology, Neurosurgery, and Psychiatry, 55, 943 – 948.

Foa, E.B., & Meadows, E.A. (1997). Psychosocial treatments for posttraumatic stress disorder: a critical review. Annual Review of Psychology, 48, 449 –480

Goldberg, L., & Gara, M. A. (1990). A Typology of Psychiatric reactions to Motor Vehicle Accidents. Psychopathology, 15-20.

Hassard, A. (1993). Eye Movement Desensitization of Body Image. Behavioural Psychotherapy, 21, 157 -160.

Hofman, M., Kleber, R., & Brom, D. (1990). Psychische schade door verkeersongevallen. Instituut voor Psychotrauma. Deventer :Van Loghum Slaterus.

-Jaspers, J. (1997). Whiplash en posttraumatische stress-stoornis. Tijdschrift voor Psychotherapie, 23, 4 – 18.

-Horowitz, M. J., Wilner, N., & Alvarez, W. (1979). Impact of event scale: A measure of subjective distress. Psychosomatic Magazine, 41, 207-218.

-Jolles, J. (1992). Hersenfunctiestoornissen of Psychologische verwerking: over cognitieve klachten na het lichte hersentrauma. In Anonymous. Verslaggeving Whiplash-Congres. Maarssen: NSWP.

-Kleber, R. J., Brom, D., & Defares, P. B. (1992). Coping With Trauma. Theory, Prevention and Treatment. Lisse: Swets & Zeitlinger.

-Kolk, B. van der, & Fisler, R. (1995). Dissociation and the Fragmentary Nature of Traumatic Memories: Overview and Exploratory Study. Journal of Traumatic Stress, 8, 505 – 525.

-Kosto, A. (1997). Comments on MVA-victimization. Paper presented at the Symposium on Assistance and Support for Traffic Accident Victims. Den Haag: ANWB.

-LeDoux, J. (1998). The Emotional Brain. The mysterious underpinnings of emotional life. New York: Simon & Schuster.

Lee, J., Giles, K., & Drummond, P. (1992). Psychological disturbances and an exaggerated response to pain in patients with whiplash injury. Journal of Psychosomatic Research, 37, 105 – 110.

-Marquis, J. (1991). A report on seventy-eight cases treated by eye movement desensitization. Journal of Behavior Therapy & Experimental Psychiatry, 22, 187 – 192.

-Mayou, R. (1996). Accident Neurosis Revisited. British Journal of Psychiatry, 168, 399-403.

-Mayou, R. (1997). The psychiatry of road traffic accidents. In: Mitchell, M. (Ed.). The Aftermath of Road Accidents (pp. 30 – 49). London, New York: Routledge.

-McCann, D. (1992). Post-Traumatic Stress Disorder Due to Devastating Burns Overcome by a Single Session of Eye Movement Desensitization. Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 23, 319 – 323.-

Miller, H. (1961). Accident neurosis. British Medical Journal, 1, 919 – 925.

-Mitchell, M. (1997). Death and injury on the road. In M. Mitchell (Ed.), The Aftermath of Road Accidents. (pp. 3-14). London & New York: Routledge.

-Pearce, J. (1989). Whiplash injury: a reappraisal. Journal of Neurosurgery and Psychiatry, 52, 1329 -1331.

-Pennebaker, J.W. (1995). (Ed.). Emotion, Disclosure, and Health. Washington, D.C.: APA.

Radanov, B., Di Stefano, G., Schnidrig, A., & Ballinari P. (1991). Role of psychosocial stress in recovery from common whiplash. The Lancet, 338, 712-71.

-Radanov, B., Di Stefano, G., Schnidrig, A., & Sturzenegger M. (1994). Common whiplash: psychosomatic or somatopsychic? Journal of Neurology, Neurosurgery, and Psychiatry, 57, 486 – 490.

Renssen, M. (1997). Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Een toelichting op EMDR. Amsterdam: Vrije Universiteit.

Renssen, M., & Winkel, F.W. (1999). Reducing trauma-symptomatology in victims of traffic accidents: Testing the effectiveness of EMDR. Paper presented at the Crimsa-Conference ‘Preventing Crime and Victimization in the Third Millennium’. East-London, S.A.: Crimsa Book of Abstracts. Rodriguez, B.I., & Craske, M.G. (1993). The efffects of distraction during exposure to phobic stimuli. Behavior Research and Therapy, 31, 6, 549 – 558.

Ross, R. J., Ball, W. A., Kribbs, N. B., Morrison, A. R., Silver, S.M., & Mulvanye, F. D. (1994). Rapid eye movement sleep disturbance in posttraumatic stress disorder. Biological Psychiatry, 146, 697 – 707. Rothbaum, B.O. (1997). A controlled study of eyemovement desensitization and reprocessing in the treatment of post traumatic stress disordered sexual assault victims. Bulletin of the Menninger Clinic, 61, 3, 317 – 334. Schoutrop, M., & Lange, A. (1997). Gestructureerd schrijven over schokkende ervaringen: resultaten en werkzame mechanismen. Dth, 17, 77 – 97. Shapiro, F. (1996). Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Basic Principles, Protocols, and Procedures. New York , London: The Guilford Press.

Vaughan, K., Wiese, M., Gold, R., & Tarrier, N. (1994). Eye-Movement Desensitization Symptom Change in Post-Traumatic Stress Disorder. British Journal of Psychiatry, 164, 533-541.

-Verhey, F. R. (1993). Whiplash: Psychisch of Lichamelijk. In: Anonymous. Verslaggeving Whiplash-Congres 1993. Maarssen: NSWP.

-Wallis, B.J., Lord, S.M., Barnsley, L., & Bogduk, N. (1996). Pain and psychological symptoms of Australian patients with whiplash. Spine, 21, 804 – 810.

-Wallis, B.J., & Bogduk, N. (1996). Faking a profile: can naive subjects simulate whiplash responses. Pain, 66, 223 – 227.

-Wheat, K. & Napier, M. (1997). Claiming damages for psychiatric injury following a road accident. In: Mitchell, M. (Ed.). The Aftermath of Road Accidents (pp. 85 – 89). London, New York: Routledge.

-Wilson, L. (1997). The psychological consequences of head injury in road accidents. In: Mitchell, M. (Ed.). The Aftermath of Road Accidents. London (pp. 89 – 99). New York: Routledge.

-Winkel, F.W. (1997). Slachtofferhulp en Verkeersongevallen: Het Achmea-model van Chronische Whiplash. Reeks Kwaliteit Slachtofferhulp. Amsterdam: Academia pro Victima.

-Winkel, F.W. (1999). Assisting Victims in Coping with Type A and Type C Traumatic Memories: the impact of EMDR and Structured Trauma Writing. Paper presented at the EAPL / AP&LS First Joint Conference on Psychology and Law, Dublin, Ireland: Trinity College, July 1999. Winkel, F.W.,

-Blaauw, E., & Wisman, F. (1999). Dissociation-focussed victim support and coping with traumatic memory: an empirical search for evidence sustaining the potential of downward comparison based interventions. International Review of Victimology, in press.

Wismans, J. & Huijskens C. (1994). Incidentie en Preventie van het Whiplash Trauma. TNO rapport 94 t.b.v. de Raad voor de Verkeersveiligheid.

 

 

DELEN