Borstkanker en microben

DELEN

Veroorzaken Microben Borstkanker ?

Alan Cantwell, Jr. M.D.

Dr. Cantwell is dermatoloog,  AIDS- en kankeronderzoeker. Hij is auteur van het boek ‘The Cancer Microbe and AIDS’ en ‘The Doctors of Death’, gepubliceerd door Aries Rising Press (P.O. Box 29532 Los Angeles, CA 90029.

Ondanks een eeuw kankeronderzoek blijft de oorzaak van borstkanker onbekend. Er zijn hierover vanuit de CAM-geneeswijzen diverse ontwikkelingen en visies beschreven. Hierbinnen spelen leeftijd, voedingspatroon, stress, hormoonfactoren, genetische predispositie en kankervirussen een rol. Allen worden verdacht als zijnde een mogelijke veroorzaker, maar de mogelijkheid van besmettelijke bacteriën die mogelijk betrokken zijn bij borstkanker en andere vormen van kanker is totaal genegeerd. In Nederland kennen we o.a. de hypothese van drs. C.J.M. Broekhuyse over de mycobacterioidia Leprae en kanker, en het werk van Dr. Hulda Clark, dat zeker bekend is bij de meeste CAM-therapeuten. Een eeuw geleden, toen belangrijke ziekten zoals tuberculose, melaatsheid, en syfilis als bacteriële (niet virale) besmettingen werden ontdekt, veronderstelden veel artsen dat bacteriën ook kanker zouden kunnen veroorzaken. Aan het eind van de negentiende eeuw (toen de wetenschap van de microbiologie nog in zijn kinderschoenen stond), werden vele verschillende kankermicroben gecultiveerd. Ze werden ‘kanker Coccidia’, ‘sporozoa’ en ‘de kankerparasieten’ genoemd, en enkele van deze microben veroorzaakten kankertumors wanneer ze bij dieren werden ingespoten. Maar velen ook niet, en de meeste artsen beoordeelden deze kankerkiemen definitief als ‘laboratoriumverontreinigingen’ of als ‘secundaire indringer-microben’ die het weefsel besmetten nadat kanker reeds is gevormd.

Het idee van een ‘kankerparasiet’ werd definitief verworpen in 1919 door de gerenommeerde Amerikaanse patholoog James Ewing. In zijn populaire handboek, ‘Neoplastic Diseases’, verklaart hij: “er zijn maar weinig bekwame onderzoekers die dit idee (de parasitische theorie) als mogelijke verklaring van kanker zien. Dr. Ewing’s visie is simpel: kanker gedraagt zich niet als een besmetting. Door zijn mening durfden er nog maar weinig artsen de theorie te blijven onderzoeken. Niettemin hebben tijdens de jaren ’20 een aantal artsen, o.a. de patholoog John Nuzum van de Universiteit van Illinois (college of medicine), chirurg Michael Scott van Butte uit Montana en verloskundige James Young uit Edinburgh, Schotland, via diverse publicaties over hun onderzoeken, kunnen blijven aantonen dat bacteriën betrokken zijn bij borstkanker en andere vormen van kanker. Onafhankelijk van elkaar cultiveerden alle drie de onderzoekers ongebruikelijke bacteriën van borstkanker, en bacteriën uit de tumors van borstkanker bij muizen.

De eigenaardige groei van de pleomorfe kankerkern tartte de gevestigde wetten van de microbiologie door zijn capaciteit om zich qua vorm te veranderen afhankelijk van hoe het in het laboratorium gecultiveerd werd, de aangeleverde hoeveelheid zuurstof voor de groei en de leeftijd. Aanvankelijk was de kern nauwelijks zichtbaar: een uiterst kleine ronde coccusvorm. Later werden deze kokken groter tot ze een staafvormige bacterie vormden, die zich samen aan bepaalde vormketens konden verbinden die veel weg hebben van schimmels. De kleine kokken konden zich ook in gist- en schimmelachtige sporenvormen vergroten. Nuzum kweekte zijn ‘micrococcus’ uit 38 van 41 vroegere borstkankervormen, uit lymfekanker en uit metastatische tumors die via verspreiding in andere delen van het lichaam zaten. Tijdens zijn intensieve, zes jaar durende bacteriologische studie die hieruit voortvloeide, kwam hij er achter dat deze microben door een filter konden gaan, ontworpen om bacteriën tegen te houden, wetende dat sommige vormen van microben dezelfde grootte als sommige virussen konden hebben. Met speciale kleuringen ontdekte hij deze kleine ronde coccoïdvormen binnen de tumorcellen van borstkanker. Hoewel Nuzum in muizen geen kankertumor kon produceren, konden de microben in 2 van de 5 honden die met de microben werden ingespoten wel borsttumoren veroorzaken. Tijdens een gevaarlijke proef op mensen spoot hij de bacterie die hij van borstkanker had gecultiveerd in de lies van een 70 jaar oude man. Na 62 injecties gedurende een periode van 18 weken, vormde er zich huidkanker in de lies van de man. Dit experiment toonde aan dat borstkankermicroben ook een ander soort kanker, zoals huidkanker, kunnen veroorzaken.

Scott beschrijft drie stadia in de levenscyclus van deze parasiet: staafvormig, als sporen of coccusgelijke vormen, en als grote sporenzakken die op schimmel lijken. Hij behandelde kankerpatiënten met een effectief antiserum tegen deze microben, en besteedde de rest van zijn leven aan het proberen om zijn collega’s bewust te maken van deze besmettelijke vorm van kanker. Maar het antagonisme vanuit het medische veld t.a.v. deze kankerparasieten van Scott en zijn antiserum waren overweldigend, en hij stierf als een vergeten mens.

Tijdens de laatste helft van de vorige eeuw was de microbe en het onderzoek hiernaar vrijwel vergeten. Vier vrouwen hebben iets gepubliceerd; helaas zijn deze nu allemaal overleden. De gepubliceerde onderzoeken waren van Virginia Wuerthele-Caspe Livingston-Wheeler(een arts), Eleanor Alexander-Jackson (een microbioloog), Irene Diller (een cellulaire bioloog) en Florence Seibert (een chemicus). Zij leverden alle vier onbetwistbaar bewijs dat de bacteriën betrokken zijn bij kanker. Livingston, die zich nooit door het door mannen overheerste medische beroep liet intimideren, ontdekte onafhankelijk van anderen de kankermicrobe in de jaren ’40 en hield nooit op hierover te spreken tot aan haar dood in 1990 op de leeftijd van 84. Zij werd geholpen door Alexander-Jackson, die de bacteriologische deskundigheid leverde, en vormden samen een niet te stoppen onderzoeksteam. De twee vrouwen vonden een speciale kleurstof die de zuurvaste microbe in cultuur en binnen de kankertumor herkenbaar maakte.

Ze concludeerden, net zoals de onderzoekers in de jaren ’20 al hadden gevonden, dat de microbes filtreerbaar waren. Nu versterkte de foto’s met de elektronenmicroscoop het fysiek bewijs: het bewijs dat de filtreerbare vormen inderdaad een viraal-grootte hadden.

Livingston noemde de microbe ‘Progenitor cryptocides’ (Grieks voor‘de verborgen moordenaar’). Kankerdeskundigen, microbiologen en diverse organisaties irriteerden zich hier mateloos aan.

In de jaren ‘50 van de vorige eeuw ontdekte Irene Diller (Instituut voor Kankeronderzoek, Fox Chase, Philadelphia) schimmelachtige microben in kankercellen. Door de krachten te bundelen met het Livingston-team, begon ze te werken met speciaal gekweekte muizen. Door deze met gecultiveerde microben uit borstkanker en andere tumors in te spuiten, kon zij het dubbele aantal kankergevallen bij de gezonde muizen constateren. Toen de kankertumors zich ontwikkelden cultiveerde zij met succes de microbe uit de tumors – zodat ze via deze test kon aantonen dat deze bacteriën betrokken waren bij de ontwikkeling van kanker. Livingston gebruikte deze methodes van Diller om ook de microbe uit het bloed van kankerpatiënten te laten ontwikkelen.

In de jaren ’60 van de vorige eeuw raakte Florence Seibert zo geïmponeerd door het onderzoek van Diller dat zij weer begon te werken, ondanks haar pensioen, alleen maar om te helpen bewijzen dat bacteriën kanker veroorzaken. Terug in de jaren ’20 van de vorige eeuw bedacht Seibert een methode om intraveneuze transfusies veilig te maken door de besmette aanwezige vervuilende bacteriën te elimineren. Later, als een van de belangrijkste autoriteiten op het gebied van de chemie en immunologie van de zuurvaste bacterie die tuberculose veroorzaakt, perfectioneerde zij de huidtest om tuberculose te testen, die sinsdien wereldwijd wordt gebruikt. In 1938 werd haar de Trudeau Medaille toegekend, de hoogste prijs die aan tuberculoseonderzoek wordt gegeven.

De experimenten die door Seibert en haar onderzoeksteam werden gedaan toonden aan dat deze tb-achtige kankermicroben geen verontreinigende laboratoriumstoffen waren omdat zij deze bacteriën uit elk stuk van de tumor (en uit leukemiebloed) konden isoleren. In haar autobiografie, “Pebbles on the Hill of a Scientist”, die in 1968 werd gepubliceerd, schreef zij: “Een van de interessantste eigenschappen van deze bacterie is hun grote pleomorfisme. Zo veranderen ze bijvoorbeeld vrij gemakkelijk van hun ronde coccusvorm in verlengde staven, en zelfs tot draadachtige gloeidraden, afhankelijk van op welke bodem ze groeien en hoe lang ze groeien. … En interessant is het feit dat deze bacteriën tijdens hun levenscyclus een filterbare vorm hebben, waardoor ze zo klein kunnen worden dat zij door filters gaan die normaal bacteriën tegen houden. Dit is eigenlijk wat een virus ook doet, en is een van de belangrijkste eigenschappen van een virus, dat hen onderscheidt van bacteriën. Maar virussen kunnen niet op kunstmatige media groeien zoals deze bacteriën wel doen. Zij hebben lichaamsweefsel nodig om op te kunnen groeien. De filterbare vorm kan echter opnieuw op gewone kunstmatige bacterie-bodem worden teruggekregen en zal hierop weer gaan groeien. Dit zou de virusonderzoekers moeten interesseren en hen de vraag moeten stellen hoeveel van de virussen geen filterbare vorm van onze bacterie kunnen zijn.”

De provocatieve documenten van Seibert, die uit de prestigieuze annalen van de New York Academie of Sciences afkomstig zijn, hadden eigenlijk allerlei ontwikkelingen op gang moeten brengen. Maar in die periode droogde alle fondsen plotseling op. En zonder adequate financiering, werd het dit type kankeronderzoek heel moeilijk gemaakt. Maar door dertig jaar onderzoek naar de zuurvaste bacterie die tuberculose veroorzaakt, wist Seibert dat de ontdekking van een pleomorfe en zuurvaste microbe in kanker enorm belangrijk was. Zij was er van overtuigd dat de kennis van deze microbe belangrijk is in het ontwikkelen van een mogelijk vaccin en een efficiëntere antibiotische therapie tegen kanker. In haar persoonlijke teksten zegt ze ook: “Het is zeer moeilijk om het gebrek aan belangstelling te begrijpen, in plaats van groot enthousiasme over dergelijke resultaten, is er onzekerheid en zoekt men liever de zekerheid binnen de traditionele, heersende wetenschap. Het contrast tussen de vooruitgang die we maakten bij tuberculose, waarvan wij de oorzaak kennen, waar wij goede algemene tests voor onwikkeld hebben, en waarvoor wij een vaccin en effectieve antibiotische controles hebben, met de miljoenen die geïnvesteerd worden in kankeronderzoek, maar niet in deze ontwikkeling, is zeer hard. Net zoals de andere vrouwen observeerde Seibert de virusachtige vormen van de kankermicrobe binnen de kern van de kankercellen. Zij theoretiseerde dat het misschien mogelijk was de besmetting in de kern van het genetisch materiaal te onderbreken zodat het niet tot een kwaadaardig proces kon leiden. Hoewel deze kankermicroben als eenvoudige en algemene microben overkomen, hebben ze de capaciteit om de kern van cellen te infiltreren en zijn ze dus verre van onschadelijk. In 1990, op de leeftijd van 92, werd Florence Seibert geïntroduceerd in de National Women’s Hall of Fame, samen met Barbara Jordan (Overheid), Billie Jean King (Atletiek) en Margaret Bourke-White(Kunsten). Toen zij het jaar daarop stierf werder er diverse artikelen over haar geschreven, o.a. in Time en People, en in kranten zoals de The Los Angeles Times. Alle recensies vermeldden haar bijdragen tot het vergroten van de veiligheid van intraveneuze vloeistoffen en haar grote inzet ten aanzien van de TB-huidtest. Maar er werd met geen woord gerept over haar onderzoek naar de kankermicrobe, waaraan zij de laatste dertig jaar van haar leven wijdde.

Elk jaar krijgen er in Nederland ruim 11.000 vrouwen borstkanker. 70% is op dat moment ouder dan 50 jaar. En de prognose is nog steeds somber voor vrouwen van wie de borstkanker zich naar de lymfeknopen of verder heeft uitgezaaid. Bij borstkanker spreken ze ook liever van langdurige overleving dan van genezing. En toch blijft de medische wereld zich krachtig en irrationeel verzetten tegen onderzoek van de kankermicrobe. Ondertussen weten we dat vanuit een economisch gezichtspunt de medische wereld zich niet kan veroorloven om in te stemmen omdat dit ten kosten gaat van een zeer winstgevende kankerindustrie. De artsen negeren vol vertrouwen het idee van kankerbacteriën, omdat zij tijdens hun medische opleiding zorgvuldig zijn onderwezen over het feit dat er geen significante bacteriën in kanker waarneembaar zijn. Zij geloven nog dat de kankermicroben verontreinigende stofbacteriën of bacteriën van geen betekenis zijn. Aldus worden de gepubliceerde rapporten over het onderzoek van de kankermicroben zelden aangehaald en blijft het onderwerp vrijwel onbekend. Het idee van een microbe met virus-, bacterie-, en schimmelachtige stadia is ook een anathema voor de meeste artsen.

Hoewel in de loop van de afgelopen decennia studies over de celwand en deficiënte bacteriën en ‘mycoplasma-achtige’ bacteriën (zowel bacterieel als viraal) wijzen erop dat de microben inderdaad een complexe levenscyclus hebben.

In sommige gevallen schijnt het onderzoek van de kankermicrobe doelbewust te worden onderdrukt. Met als argument “Er is geen wetenschappelijk bewijsmateriaal om haar (Livingston) theorieën van kankerveroorzaken te bevestigen of haar behandelingen te rechtvaardigen.” Duidelijk is dat dit officiële oordeel een flagrante leugen is, omdat, zoals wij hebben kunnen vernemen, de ontdekkingen van Livingston door vele bekwame wetenschappers zijn bevestigd.

Bovendien heeft Livingston drie boeken over de kankermicrobe geschreven:

‘Cancer: A New Breakthrough’ (1972), ‘The Microbiology of Cancer’ (1977), en ‘The Conquest of Cancer’ (1984). Andere, recentere boeken zijn: Alan Cantwell’s ‘The Cancer Microbe’ (1990) en ‘Can Bacteria Cause Cancer?’ (1997) door David J. Hess. Door het gebruik van kleuringtechnieken zijn de zuurvaste bacteriën geïdentificeerd bij borstkanker, lymphoma, Kaposi sarcoom, en andere vormen van kanker. Figuur 1 toont bacteriën aan die in borstkanker zijn geïdentificeerd. Dergelijke microben waren reeds aanwezig binnen de tumor en kunnen daarom nooit laboratorium-verontreinigingen zijn.

De microben zijn ook in normaal kanker-vrij borstweefsel geïdentificeerd op het moment dat het chirurgisch werd verwijderd. Dit geeft ook aan dat de bacteriën geen “secundaire indringer” zijn, omdat zij identificeerbaar zijn voordat het weefsel door kanker besmet wordt. Door het huidige gebrek aan kennis over de oorzaak van borstkanker worden sommige zeer kostbare levensduurverlengende (dood-uitstellende) behandelingen gebruikt voor deze angstige ziekte. Beenmergtransplantaties, kosten minimaal $100.000 per patiënt, met een 5% sterftecijfer, worden voorgesteld als routinebehandeling. In Karen Stabiner’s ‘To Dance With the Devil: The

New War on Breast Cancer’ (1997) staat het fijntjes beschreven: “De procedure is absoluut niet leuk. Na drie weken van intense behandeling, mogen de patiënten naar huis, waarbij ze te horen krijgen op te letten op longontsteking, een potentieel fatale nawerking als dit niet vroeg genoeg gediagnostiseerd en behandeld wordt.” Het succes van de beenmergtransplantatie voor borstkanker is niet gegarandeerd, noch wordt het gezien als een behandeling. De vrouwen krijgen ook te horen dat de kans bestaat om alsnog aan kanker te kunnen sterven, omdat sommige patiënten niet op chemotherapie reageren, hoe hoog de dosis ook is.

Behandeling met straling, chemotherapie en chirurgie; de kosten om uiteindelijk aan kanker te sterven zijn niet mis. Voor die prijs, die wij allemaal betalen, zouden de artsen niet de luxe mogen hebben om onwetend te blijven over het onderzoek betrefende de kankermicrobe, in het bijzonder wanneer deze microben in kankertumors kunnen worden geïdentificeerd. Met …. Nederlandse vrouwen die jaarlijks aan borstkanker sterven, is het de hoogste tijd dat de medische wetenschap de kankerparasiet opnieuw onder de loupe neemt.

Referenties

  • Ewing J: The parasitic theory. In, Ewing J (Ed): Neoplastic Diseases (Ed1). Saunders, Philadelphia,1919, pp 114-126.
  • Nuzum JW: A critical study of an organism associated with a  transplantable carcinoma of the white mouse. Surg Gynecol  Obstet 33:167-175, 1921.
  • Nuzum JW: The experimental production of metastasizing  carcinoma in the breast of the dog and primary epithelioma in  man by repeated inoculation of a micrococcus isolated from  human breast cancer. Surg Gynecol Obstet 11:343-352, 1925.
  • Young J: Description of an organism obtained from carcinomatous growths. Edinburgh MedJ (New Series) 27:212-221,  1921.
  • Young J: An address on a new outlook on cancer: Irritiation  and infection. Brit Med J, Jan 10, 1925, pp 60-64.
  • Scott MJ: The parasitic origin of carcinoma. Northwest Med 24:162-166, 1925.
  • Scott MJ: More about the parasitic origin of malignant epithelial growths. Northwest Med 25:492-498, 1925.
  • Wuerthele Caspe (Livingston) V, Alexander-Jackson E, Anderson JA, et al: Cultural properties and pathogenicity of certain  microorganisms obtained from various proliferative and  neoplastic diseases. Amer J Med Sci 220:628-646, 1950.
  • Wuerthele-Caspe Livingston V, Alexander-Jackson E: An  experimental biologic approach to the treatment of neoplastic disease. J Amer Med Women’s Asssn 20:858-866, 1965.
  • Wuerthele Caspe Livingston V, Livingston AM: Demonstration of Progenitor Cryptocides in the blood of patients with collagen  and neoplastic diseases. Trans NY Acad Sci 34(5):433-453, 1972.
  • Wuerthele Caspe Livingston V, Livingston AM: Some cultural, immunological, and biochemical properties of Progenitor  cyptocides. Trans NY Acad Sci 36(6):569-582, 1974.
  • Alexander-Jackson E: A specific type of microorganism isolated  from animal and human cancer: Bacteriology of the organism.  Growth 18:37-51, 1954.
  • Diller IC: Growth and morphologic variability of pleomorphic, intermittently acid-fast organisms isolated from mouse, rat, and human malignant tissues. Growth 26:181-209, 1962.
  •  Seibert FB, Yeomans F, Baker JA, et al: Bacteria in tumors. Trans NY Acad Sci 34(6):504-533, 1972.
  • Wuerthele Caspe Livingston V: Cancer, A New Breakthrough. Nash  Publishing Corp, Los Angeles, 1972.
  • Livingston-Wheeler VWC, Wheeler OW: The Microbiology of   Cancer.
  • Livingston Wheeler Medical Clinic Publication, San Diego, 1977.
  • Livingston-Wheeler VWC, Addeo EG: The Conquest of Cancer.  Franklin-Watts, New York, 1984.
  • Cantwell AR Jr: The Cancer Microbe: The Hidden Killer in  Cancer, AIDS, and Other Immune Diseases. Aries Rising Press,  Los Angeles, 1990.
  • Hess DJ: Can Bacteria Cause Cancer? Alternative Medicine  Confronts Big Science. New York University Press, New York,  1997.
  • Cantwell AR Jr, Kelso DW: Microbial findings in cancer of the breast and in their metastases to the skin. J Dermatol Surg  Oncol 7:483-491, 1981.
  • Cantwell AR Jr: Histologic observations of variably acid-fast coccoid forms suggestive of cell wall deficient bacteria in
  • Hodgkin’s disease. A report of our cases. Growth 45:168-187, 1981.
  • Cantwell AR Jr: Kaposi’s sarcoma and variably acid-fast   bacteria in vivo in two homosexual men. Cutis 32:58-64,68,
  • 1983.
  •  Stabiner K: To Dance with the Devil: The New War on Breast Cancer. Delacourt Press, New York, 1997.

 

 

 

DELEN